BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 93
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 75, derde lid, artikel 86, sub <em>b</em>, artikel 101, artikel 104, artikel 106, artikel 107, eerste lid, artikel 116, artikel 118, onderscheidenlijk artikel 118 <em>a</em>van het Algemeen Reglement Dienst worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 61, derde lid, artikel 83, eerste lid, sub b, artikel 91, artikel 79, tweede lid, artikel 81, artikel 64, eerste lid, artikel 6, eerste lid, artikel 10, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 8van dit besluit.
2. Vergunningen, verleend door of namens de Minister krachtens artikel 15 van het Algemeen Reglement Dienst, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn verleend krachtens artikel 15van dit besluit.
3. De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 2, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 10, eerste respectievelijk vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 21 van het Algemeen Reglement Dienst Locaalspoorwegen, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 18, tweede respectievelijk vierde lid, artikel 54, eerste respectievelijk zevende lid, onderscheidenlijk artikel 7, tweede lid, van dit besluit.
4. De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 3 van Ons besluit van 9 augustus 1922, betreffende de wijze van afsluiting der spoorwegen, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 19, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 18, derde lid, van dit besluit.
2. Vergunningen, verleend door of namens de Minister krachtens artikel 15 van het Algemeen Reglement Dienst, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn verleend krachtens artikel 15van dit besluit.
3. De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 2, eerste respectievelijk tweede lid, artikel 10, eerste respectievelijk vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 21 van het Algemeen Reglement Dienst Locaalspoorwegen, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 18, tweede respectievelijk vierde lid, artikel 54, eerste respectievelijk zevende lid, onderscheidenlijk artikel 7, tweede lid, van dit besluit.
4. De beschikkingen van de Minister, genomen krachtens artikel 1, derde lid, onderscheidenlijk artikel 3 van Ons besluit van 9 augustus 1922, betreffende de wijze van afsluiting der spoorwegen, worden, voor zover zij op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit geldig zijn, geacht te zijn genomen krachtens artikel 19, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 18, derde lid, van dit besluit.