BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 33
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Elk krachtvoertuig moet voorzien zijn van:
a. spoorstaafruimers;
b. lantarenhouders of vaste front- en sluitseinen;
c. een inrichting om geluidsseinen te geven;
d. een handrem;
e. een inrichting, waarmee het doorgaand zelfwerkende remsysteem, als bedoeld in artikel 53, vijfde lid, wordt bediend en gecontroleerd, alsmede van een op dat systeem aangesloten rem, een en ander indien het krachtvoertuig is bestemd voor het vervoeren van treinen met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
f. een snelheidsmeter, tenzij het vermogen van het krachtvoertuig aan de wielomtrek kleiner is dan 75 kW;
g. een inrichting, die, wanneer deze niet voortdurend of met korte tussenpozen door de machinist wordt bediend, de trein automatisch tot stilstand brengt;
h. de apparatuur van het in artikel 31 bedoelde systeem van automatische treinbeïnvloeding, indien het krachtvoertuig dienst doet op in dat artikel aangeduide baanvakken.
2. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, sub <em>h</em>.
3. Alle in het krachtvoertuig ten behoeve van de voortbeweging dienstdoende motoren moeten door de machinist vanuit elke cabine van het krachtvoertuig zelf kunnen worden beheerst; daarenboven zijn voorzieningen toegelaten, die het mogelijk maken, dat bedoelde beheersing geschiedt vanuit de cabine van een ander voertuig in de trein of op andere wijze van buitenaf. In laatstgenoemd geval voldoet de apparatuur aan door de Minister te stellen voorwaarden.
4. Bij krachtvoertuigen gedreven door een of meer verbrandingsmotoren moeten:
a. de brandstoftanks en de brandstofleidingen zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewenste overdruk kan ontstaan en dat de kans op het ontstaan van lekkages zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. de vulopeningen van de brandstoftanks zich buiten het krachtvoertuig bevinden, wanneer dit is ingericht voor vervoer van reizigers of post;
c. de ruimten waarin deze tanks zijn aangebracht, van het inwendige van het krachtvoertuig door dichte onbrandbare wanden gescheiden zijn en zodanig ingericht, dat buiten de tanks geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen onmiddellijk buiten het krachtvoertuig worden afgevoerd;
d. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voor zover zij zich in de inwendige ruimte van het krachtvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd zijn;
e. indien het krachtvoertuig is ingericht voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in ruimten die voor deze reizigers niet toegankelijk zijn; de wanden van deze ruimten moeten uit onbrandbare stof bestaan of met onbrandbare stof zijn bekleed.
5. Krachtvoertuigen gedreven door een of meer elektromotoren moeten voorzien zijn van:
a. inrichtingen die beveiligen tegen de gevolgen van te grote stroomsterkte en te hoge spanning van de elektrische stroom, voor zover deze niet elders, bij voorbeeld in onderstations, zijn ondergebracht;
b. geleidende verbindingen met de aarde van alle delen van het krachtvoertuig, die, indien zij tengevolge van breuk in de bovenleiding of door andere oorzaken onder spanning komen, gevaar opleveren.
6. De wielen van de krachtvoertuigen moeten van flenzen van voldoende hoogte voorzien zijn. Flenzen mogen worden weggelaten bij wielen van niet verschuifbare tussenassen van ten minste drie in een gemeenschappelijk raamwerk aangebrachte assen, mits de wielen van deze assen voldoende draagvlak vinden.
De dikte van de wielbanden moet ten minste 25 mm bedragen.
Bij volwielen moet de minimum-dikte van de delen die de wielband vervangen, worden aangegeven door een in de buitenzijde van het wiel ingedraaide groef.
7. Andere dan de in het vierde en vijfde lid bedoelde typen krachtvoertuigen kunnen op de spoorwegen worden toegelaten onder door de Minister te stellen voorwaarden.
a. spoorstaafruimers;
b. lantarenhouders of vaste front- en sluitseinen;
c. een inrichting om geluidsseinen te geven;
d. een handrem;
e. een inrichting, waarmee het doorgaand zelfwerkende remsysteem, als bedoeld in artikel 53, vijfde lid, wordt bediend en gecontroleerd, alsmede van een op dat systeem aangesloten rem, een en ander indien het krachtvoertuig is bestemd voor het vervoeren van treinen met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
f. een snelheidsmeter, tenzij het vermogen van het krachtvoertuig aan de wielomtrek kleiner is dan 75 kW;
g. een inrichting, die, wanneer deze niet voortdurend of met korte tussenpozen door de machinist wordt bediend, de trein automatisch tot stilstand brengt;
h. de apparatuur van het in artikel 31 bedoelde systeem van automatische treinbeïnvloeding, indien het krachtvoertuig dienst doet op in dat artikel aangeduide baanvakken.
2. De Minister kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, sub <em>h</em>.
3. Alle in het krachtvoertuig ten behoeve van de voortbeweging dienstdoende motoren moeten door de machinist vanuit elke cabine van het krachtvoertuig zelf kunnen worden beheerst; daarenboven zijn voorzieningen toegelaten, die het mogelijk maken, dat bedoelde beheersing geschiedt vanuit de cabine van een ander voertuig in de trein of op andere wijze van buitenaf. In laatstgenoemd geval voldoet de apparatuur aan door de Minister te stellen voorwaarden.
4. Bij krachtvoertuigen gedreven door een of meer verbrandingsmotoren moeten:
a. de brandstoftanks en de brandstofleidingen zodanig ingericht zijn, dat daarin geen ongewenste overdruk kan ontstaan en dat de kans op het ontstaan van lekkages zoveel mogelijk wordt beperkt;
b. de vulopeningen van de brandstoftanks zich buiten het krachtvoertuig bevinden, wanneer dit is ingericht voor vervoer van reizigers of post;
c. de ruimten waarin deze tanks zijn aangebracht, van het inwendige van het krachtvoertuig door dichte onbrandbare wanden gescheiden zijn en zodanig ingericht, dat buiten de tanks geraakte vloeibare brandstof of brandbare gassen onmiddellijk buiten het krachtvoertuig worden afgevoerd;
d. de leidingen voor de afvoer van afgewerkte motorgassen, voor zover zij zich in de inwendige ruimte van het krachtvoertuig bevinden, ononderbroken en, waar zij gevaar voor brand opleveren, geïsoleerd zijn;
e. indien het krachtvoertuig is ingericht voor het vervoer van reizigers, de motoren geplaatst zijn in ruimten die voor deze reizigers niet toegankelijk zijn; de wanden van deze ruimten moeten uit onbrandbare stof bestaan of met onbrandbare stof zijn bekleed.
5. Krachtvoertuigen gedreven door een of meer elektromotoren moeten voorzien zijn van:
a. inrichtingen die beveiligen tegen de gevolgen van te grote stroomsterkte en te hoge spanning van de elektrische stroom, voor zover deze niet elders, bij voorbeeld in onderstations, zijn ondergebracht;
b. geleidende verbindingen met de aarde van alle delen van het krachtvoertuig, die, indien zij tengevolge van breuk in de bovenleiding of door andere oorzaken onder spanning komen, gevaar opleveren.
6. De wielen van de krachtvoertuigen moeten van flenzen van voldoende hoogte voorzien zijn. Flenzen mogen worden weggelaten bij wielen van niet verschuifbare tussenassen van ten minste drie in een gemeenschappelijk raamwerk aangebrachte assen, mits de wielen van deze assen voldoende draagvlak vinden.
De dikte van de wielbanden moet ten minste 25 mm bedragen.
Bij volwielen moet de minimum-dikte van de delen die de wielband vervangen, worden aangegeven door een in de buitenzijde van het wiel ingedraaide groef.
7. Andere dan de in het vierde en vijfde lid bedoelde typen krachtvoertuigen kunnen op de spoorwegen worden toegelaten onder door de Minister te stellen voorwaarden.