BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 53
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Treinen worden ten minste beremd overeenkomstig door de Minister te accorderen tabellen, die het remgewicht van de trein uitdrukken in percentages van het treingewicht als functie van de snelheid. Deze percentages dienen zodanig te zijn, dat de treinen op een dalende helling van 5o/oo tot stilstand kunnen worden gebracht binnen de hierna genoemde afstanden:
[tabel]
Voor dalende hellingen van meer dan 5o/oo kan de Minister nadere voorschriften geven.
2. De Minister bepaalt, hoe het promillage van een helling moet worden berekend.
3. Voor treinen die rijden op baanvakken die uitsluitend voor het vervoer van reizigers zijn bestemd kan de Minister afwijking van de in het eerste lid gestelde eisen voorschrijven.
4. Onder remgewicht van de trein wordt verstaan: de som van de remgewichten van de voertuigen waarvan de rem functioneert. Onder treingewicht wordt verstaan: de som van de totale gewichten van de voertuigen; het totale gewicht is de som van het eigen gewicht en het gewicht van de reizigers en/of van de lading.
Het remgewicht en het eigen gewicht moeten op elk voertuig zijn aangegeven. Indien het totale gewicht niet op een rijtuig is aangegeven, wordt dit bij een voor reizigers toegankelijk rijtuig berekend door bij het eigengewicht te tellen:
[tabel]
5. Treinen rijdende met een grotere snelheid dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dat aan de volgende eisen voldoet:
a. de remmen moeten door de machinist van zijn plaats af in werking kunnen worden gesteld;
b. de remmen moeten in werking treden, zodra de doorgaande leiding anders dan tengevolge van een bedieningshandeling wordt verbroken.
Bij goederentreinen, rijdende met een grotere snelheid dan 60 km/h moet het doorgaand zelfwerkend remsysteem vanuit elke afdeling voor verblijf van treinpersoneel aangewezen, in werking kunnen worden gesteld.
Met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde kan de Directie voor door bepaalde krachtvoertuigen vervoerde treinen zonder doorgaand zelfwerkend remsysteem een hogere snelheid dan 40 km/h toestaan.
6. De constructie van het doorgaand zelfwerkend remsysteem en de inrichting om dit te bedienen worden vastgesteld door de Directie.
7. Voertuigen die niet kunnen worden aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem, mogen onverminderd het bepaalde in het negende lid achteraan worden vervoerd, en wel:
a. in reizigerstreinen, voor zover deze met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, en voor zover deze sneller rijden ten hoogste één, mits in alle gevallen elk voertuig ten minste weegt: 10 t, indien het twee assen heeft, 14 t, indien het drie assen heeft, 16 t, indien het meer dan drie assen heeft;
b. in goederentreinen, voor zover deze met een snelheid van meer dan 40 km/h doch niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, elk wegende ten minste 8 t, en voor zover deze sneller dan 80 km/h rijden ten hoogste één, waarvan het gewicht aan de onder a gestelde eisen voldoet.
8. Bovendien mag in reizigerstreinen ten hoogste één voertuig worden vervoerd waarvan de op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem buiten werking is mits dit voertuig ten minste 14 t weegt. De Minister is bevoegd afwijking van deze bepaling toe te staan voor door hem aangewezen treinen waarmede zowel personen als goederen worden vervoerd, mits deze treinen met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden.
9. Op spoorwegen met hellingen groter dan 5o/oo en langer dan 1000 m moet in elke trein het laatste voertuig zijn voorzien, hetzij van een op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem, hetzij van een handrem.
In het laatstbedoelde geval moet een personeelslid aanwezig zijn, dat de handrem zonodig kan bedienen.
10. Bij uitzondering mag in goederentreinen, achter het in het negende lid bedoelde voertuig, onverminderd het bepaalde in het zevende lid onder <em>b</em>, een herstelling behoevend voertuig worden vervoerd, indien dat vervoer geen gevaar oplevert en de aard van de beschadiging een andere plaatsing in de weg staat.
[tabel]
Voor dalende hellingen van meer dan 5o/oo kan de Minister nadere voorschriften geven.
2. De Minister bepaalt, hoe het promillage van een helling moet worden berekend.
3. Voor treinen die rijden op baanvakken die uitsluitend voor het vervoer van reizigers zijn bestemd kan de Minister afwijking van de in het eerste lid gestelde eisen voorschrijven.
4. Onder remgewicht van de trein wordt verstaan: de som van de remgewichten van de voertuigen waarvan de rem functioneert. Onder treingewicht wordt verstaan: de som van de totale gewichten van de voertuigen; het totale gewicht is de som van het eigen gewicht en het gewicht van de reizigers en/of van de lading.
Het remgewicht en het eigen gewicht moeten op elk voertuig zijn aangegeven. Indien het totale gewicht niet op een rijtuig is aangegeven, wordt dit bij een voor reizigers toegankelijk rijtuig berekend door bij het eigengewicht te tellen:
[tabel]
5. Treinen rijdende met een grotere snelheid dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dat aan de volgende eisen voldoet:
a. de remmen moeten door de machinist van zijn plaats af in werking kunnen worden gesteld;
b. de remmen moeten in werking treden, zodra de doorgaande leiding anders dan tengevolge van een bedieningshandeling wordt verbroken.
Bij goederentreinen, rijdende met een grotere snelheid dan 60 km/h moet het doorgaand zelfwerkend remsysteem vanuit elke afdeling voor verblijf van treinpersoneel aangewezen, in werking kunnen worden gesteld.
Met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde kan de Directie voor door bepaalde krachtvoertuigen vervoerde treinen zonder doorgaand zelfwerkend remsysteem een hogere snelheid dan 40 km/h toestaan.
6. De constructie van het doorgaand zelfwerkend remsysteem en de inrichting om dit te bedienen worden vastgesteld door de Directie.
7. Voertuigen die niet kunnen worden aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem, mogen onverminderd het bepaalde in het negende lid achteraan worden vervoerd, en wel:
a. in reizigerstreinen, voor zover deze met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, en voor zover deze sneller rijden ten hoogste één, mits in alle gevallen elk voertuig ten minste weegt: 10 t, indien het twee assen heeft, 14 t, indien het drie assen heeft, 16 t, indien het meer dan drie assen heeft;
b. in goederentreinen, voor zover deze met een snelheid van meer dan 40 km/h doch niet meer dan 80 km/h rijden, tot een aantal van ten hoogste drie, elk wegende ten minste 8 t, en voor zover deze sneller dan 80 km/h rijden ten hoogste één, waarvan het gewicht aan de onder a gestelde eisen voldoet.
8. Bovendien mag in reizigerstreinen ten hoogste één voertuig worden vervoerd waarvan de op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem buiten werking is mits dit voertuig ten minste 14 t weegt. De Minister is bevoegd afwijking van deze bepaling toe te staan voor door hem aangewezen treinen waarmede zowel personen als goederen worden vervoerd, mits deze treinen met een snelheid van niet meer dan 80 km/h rijden.
9. Op spoorwegen met hellingen groter dan 5o/oo en langer dan 1000 m moet in elke trein het laatste voertuig zijn voorzien, hetzij van een op het doorgaand zelfwerkend remsysteem aangesloten rem, hetzij van een handrem.
In het laatstbedoelde geval moet een personeelslid aanwezig zijn, dat de handrem zonodig kan bedienen.
10. Bij uitzondering mag in goederentreinen, achter het in het negende lid bedoelde voertuig, onverminderd het bepaalde in het zevende lid onder <em>b</em>, een herstelling behoevend voertuig worden vervoerd, indien dat vervoer geen gevaar oplevert en de aard van de beschadiging een andere plaatsing in de weg staat.