BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 41
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Het rollend materieel met alle daaraan bevestigde losse delen moet, al dan niet beladen, zowel op recht spoor als in bogen blijven binnen het op bijlage Baangegeven kinematisch omgrenzingsprofiel, zulks onverminderd het bepaalde in de laatste alinea van het derde lid.
2. Bij de bepaling van het in het eerste lid bedoelde omgrenzingsprofiel is er van uitgegaan, dat de hartlijn van dit profiel samenvalt met de hartlijn van het spoor met normale spoorwijdte, waarbij deze hartlijn loodrecht staat op het vlak door de bovenkanten der spoorstaven.
3. Bij de bepaling van de afmetingen van het rollend materieel wordt uitgegaan van een referentieboog met een straal van 250 m. Daarbij moet rekening gehouden worden met:
a. geometrische verplaatsingen tengevolge van de instelling van het rollend materieel in het spoor, slijtagefactoren van dat materieel en verticale verplaatsingen ervan;
b. horizontale verplaatsingen ten gevolge van statisch overhellen bij een verkanting tot 50 mm;
c. afwijkingen, verband houdende met bouw en belading van het rollend materieel, voor zover deze meer dan 1° bedragen.
Op de aan de hand van vorenstaande normen gevonden breedtematen mag een toeslag worden toegepast van 15 mm voor delen boven 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf en van 10 mm voor delen tot en met 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf.
4. Met het oog op het veilig berijden van een spoor in verticale bogen moet de onderste begrenzingslijn van het rollend materieel zo nodig hoger zijn dan op bijlage Bis aangegeven.
5. De Minister kan voor door hem aan te wijzen materieel andere omgrenzingsprofielen voorschrijven of toestaan.
2. Bij de bepaling van het in het eerste lid bedoelde omgrenzingsprofiel is er van uitgegaan, dat de hartlijn van dit profiel samenvalt met de hartlijn van het spoor met normale spoorwijdte, waarbij deze hartlijn loodrecht staat op het vlak door de bovenkanten der spoorstaven.
3. Bij de bepaling van de afmetingen van het rollend materieel wordt uitgegaan van een referentieboog met een straal van 250 m. Daarbij moet rekening gehouden worden met:
a. geometrische verplaatsingen tengevolge van de instelling van het rollend materieel in het spoor, slijtagefactoren van dat materieel en verticale verplaatsingen ervan;
b. horizontale verplaatsingen ten gevolge van statisch overhellen bij een verkanting tot 50 mm;
c. afwijkingen, verband houdende met bouw en belading van het rollend materieel, voor zover deze meer dan 1° bedragen.
Op de aan de hand van vorenstaande normen gevonden breedtematen mag een toeslag worden toegepast van 15 mm voor delen boven 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf en van 10 mm voor delen tot en met 400 mm boven de bovenkant van de spoorstaaf.
4. Met het oog op het veilig berijden van een spoor in verticale bogen moet de onderste begrenzingslijn van het rollend materieel zo nodig hoger zijn dan op bijlage Bis aangegeven.
5. De Minister kan voor door hem aan te wijzen materieel andere omgrenzingsprofielen voorschrijven of toestaan.