BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 10
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. De Minister kan ter zake van de in de artikelen 11, zesde lid, 13, derde lid, 14, derde lid, 17, twaalfde lid, 21, vierde en negende lid, 23, eerste lid, 25, 26, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 28, derde lid, 29, derde en zesde lid, 30, 38, tweede lid, 43, 45, 46, 50, eerste lid, 52, derde en vierde lid, 53, vijfde lid, 54, eerste lid, onder b en d, 55, derde lid, 60, tweede lid, 66, tweede lid, 71, vijfde lid, 72, eerste lid, onder c, 77en 78aan de Directie toegekende bevoegdheden:
a. aanvullende voorwaarden stellen;
b. voorschriften geven omtrent de uitoefening van deze bevoegdheden;
c. de Directie opdragen de op grond van die bevoegdheden getroffen maatregelen op te heffen, indien naar zijn mening de in genoemde artikelen en ingevolge a gestelde voorwaarden niet vervuld waren of niet meer vervuld zijn.
2. De Directie is verplicht aan deze voorschriften en opdrachten te voldoen.
3. De Directie geeft ter zake van de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden desgevraagd kennis aan de Minister.
a. aanvullende voorwaarden stellen;
b. voorschriften geven omtrent de uitoefening van deze bevoegdheden;
c. de Directie opdragen de op grond van die bevoegdheden getroffen maatregelen op te heffen, indien naar zijn mening de in genoemde artikelen en ingevolge a gestelde voorwaarden niet vervuld waren of niet meer vervuld zijn.
2. De Directie is verplicht aan deze voorschriften en opdrachten te voldoen.
3. De Directie geeft ter zake van de uitoefening van de haar toegekende bevoegdheden desgevraagd kennis aan de Minister.