BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 29
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Tussen een wissel gelegen in een hoofdspoor en een, ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, daarvoor geplaatst sein moet een zodanig verband bestaan, dat, als dit sein het voorbijrijden toelaat, het wissel niet kan worden omgelegd.
2. Wanneer een wissel in een hoofdspoor tegen de punt wordt bereden, moet tussen dat wissel en een daarvoor geplaatst voor treinen geldend bedienbaar of automatisch vast sein een zodanig verband bestaan, dat de juiste stand van de tongen verzekerd is.
3. De Directie kan bepalen, dat het in het eerste en tweede lid bedoelde verband achterwege blijft, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels met een slot gesloten of bewaakt zijn.
4. Bij door de Minister aan te wijzen spoorwegen kan het in het eerste lid bedoelde verband achterwege blijven, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels door een veerinrichting in een bepaalde stand worden gehouden.
Een niet tegen de punt bereden van een veerinrichting voorzien wissel wordt geacht steeds in de juiste stand te liggen.
5. Indien een wissel in een hoofdspoor wordt bediend op een afstand van meer dan 250 m en normaal tegen de punt wordt bereden door voor reizigersvervoer aangewezen treinen, moeten voorzieningen aanwezig zijn die het omleggen beletten tijdens het berijden tegen de punt.
6. Tussen een beweegbare brug en een, ingevolge het gestelde in artikel 26, eerste lid, daarvoor geplaatst sein moet een zodanig verband bestaan, dat, als dit sein het voorbijrijden toelaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.
7. Tussen de seinen geplaatst ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, onder a, b of c, moet een zodanig verband bestaan, dat deze seinen alleen een seinbeeld dat voorbijrijden toelaat kunnen tonen, wanneer daardoor geen treinen met elkaar in aanraking kunnen komen.
2. Wanneer een wissel in een hoofdspoor tegen de punt wordt bereden, moet tussen dat wissel en een daarvoor geplaatst voor treinen geldend bedienbaar of automatisch vast sein een zodanig verband bestaan, dat de juiste stand van de tongen verzekerd is.
3. De Directie kan bepalen, dat het in het eerste en tweede lid bedoelde verband achterwege blijft, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels met een slot gesloten of bewaakt zijn.
4. Bij door de Minister aan te wijzen spoorwegen kan het in het eerste lid bedoelde verband achterwege blijven, mits bij het doorrijden van treinen over een hoofdspoor de wissels door een veerinrichting in een bepaalde stand worden gehouden.
Een niet tegen de punt bereden van een veerinrichting voorzien wissel wordt geacht steeds in de juiste stand te liggen.
5. Indien een wissel in een hoofdspoor wordt bediend op een afstand van meer dan 250 m en normaal tegen de punt wordt bereden door voor reizigersvervoer aangewezen treinen, moeten voorzieningen aanwezig zijn die het omleggen beletten tijdens het berijden tegen de punt.
6. Tussen een beweegbare brug en een, ingevolge het gestelde in artikel 26, eerste lid, daarvoor geplaatst sein moet een zodanig verband bestaan, dat, als dit sein het voorbijrijden toelaat, de brug in de juiste stand is vastgelegd.
7. Tussen de seinen geplaatst ingevolge het bepaalde in artikel 26, eerste lid, onder a, b of c, moet een zodanig verband bestaan, dat deze seinen alleen een seinbeeld dat voorbijrijden toelaat kunnen tonen, wanneer daardoor geen treinen met elkaar in aanraking kunnen komen.