BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 21
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Sluitbomen worden ter plaatse of met toestemming van de Minister op afstand bediend.
2. Bij de ter plaatse bediende sluitbomen moet de bedieningsapparatuur zodanig geplaatst zijn, dat de overwegwachter de overweg en de aansluitende weggedeelten kan overzien en zo nodig aanwijzingen aan de weggebruikers kan geven.
Bij de op afstand bediende sluitbomen moet de overwegwachter van zijn post de overweg kunnen zien, tenzij in bijzondere gevallen de Minister hiervan ontheffing heeft verleend.
3. Bij de ter plaatse bediende sluitbomen kunnen en bij de op afstand bediende sluitbomen moeten inrichtingen geplaatst zijn, waarmede de overwegwachter door middel van rode knipperlichten tijdig het sein aan de weggebruikers geeft, dat hij tot sluiting overgaat. Deze rode knipperlichten worden tijdens of onmiddellijk na het openen van de bomen weer buiten werking gesteld.
4. De Directie schrijft maatregelen voor teneinde te verzekeren, dat de komst van elke trein wordt aangekondigd aan de overwegwachter die niet tevens het sein bedient dat toegang geeft tot het spoorgedeelte, waarin de overweg ligt. Deze aankondiging moet zodanig geschieden, dat de overwegwachter de sluitbomen zonder overhaasting tijdig kan sluiten.
5. Zodra de veiligheid van het spoorwegverkeer zulks vordert, sluit de overwegwachter de sluitbomen, ongeacht of hij de in het vierde lid bedoelde aankondiging al of niet heeft ontvangen. Hij houdt de sluitbomen gesloten totdat de overweg is ontruimd.
6. De overwegwachter, bedoeld in het vierde lid, moet een spreekverbinding hebben met de bewaakte post, waar het sein wordt bediend, dat de toegang geeft tot het spoorgedeelte waarin de overweging ligt.
7. Waar de Minister het nodig oordeelt, moet een sein dat toegang geeft tot het spoorweggedeelte, waarin de overweg ligt, niet uit de stand "stop" kunnen worden gebracht, voordat de sluitbomen zijn gesloten.
8. De Minister kan tevens voorschrijven, dat de sluitbomen niet weer kunnen worden geopend, voordat de trein de overweg berijdt.
9. Het bepaalde in het zesde lid is voor baanvakken, waar de hoogst toegelaten snelheid niet meer dan 40 km/h bedraagt en waar aan weerszijden van de overweg voor de trein een vast sein is geplaatst, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen, niet van toepassing.
10. De overwegwachter moet aan de naderende trein een stopsein kunnen geven.
2. Bij de ter plaatse bediende sluitbomen moet de bedieningsapparatuur zodanig geplaatst zijn, dat de overwegwachter de overweg en de aansluitende weggedeelten kan overzien en zo nodig aanwijzingen aan de weggebruikers kan geven.
Bij de op afstand bediende sluitbomen moet de overwegwachter van zijn post de overweg kunnen zien, tenzij in bijzondere gevallen de Minister hiervan ontheffing heeft verleend.
3. Bij de ter plaatse bediende sluitbomen kunnen en bij de op afstand bediende sluitbomen moeten inrichtingen geplaatst zijn, waarmede de overwegwachter door middel van rode knipperlichten tijdig het sein aan de weggebruikers geeft, dat hij tot sluiting overgaat. Deze rode knipperlichten worden tijdens of onmiddellijk na het openen van de bomen weer buiten werking gesteld.
4. De Directie schrijft maatregelen voor teneinde te verzekeren, dat de komst van elke trein wordt aangekondigd aan de overwegwachter die niet tevens het sein bedient dat toegang geeft tot het spoorgedeelte, waarin de overweg ligt. Deze aankondiging moet zodanig geschieden, dat de overwegwachter de sluitbomen zonder overhaasting tijdig kan sluiten.
5. Zodra de veiligheid van het spoorwegverkeer zulks vordert, sluit de overwegwachter de sluitbomen, ongeacht of hij de in het vierde lid bedoelde aankondiging al of niet heeft ontvangen. Hij houdt de sluitbomen gesloten totdat de overweg is ontruimd.
6. De overwegwachter, bedoeld in het vierde lid, moet een spreekverbinding hebben met de bewaakte post, waar het sein wordt bediend, dat de toegang geeft tot het spoorgedeelte waarin de overweging ligt.
7. Waar de Minister het nodig oordeelt, moet een sein dat toegang geeft tot het spoorweggedeelte, waarin de overweg ligt, niet uit de stand "stop" kunnen worden gebracht, voordat de sluitbomen zijn gesloten.
8. De Minister kan tevens voorschrijven, dat de sluitbomen niet weer kunnen worden geopend, voordat de trein de overweg berijdt.
9. Het bepaalde in het zesde lid is voor baanvakken, waar de hoogst toegelaten snelheid niet meer dan 40 km/h bedraagt en waar aan weerszijden van de overweg voor de trein een vast sein is geplaatst, dat alleen het seinbeeld "stop" kan tonen, niet van toepassing.
10. De overwegwachter moet aan de naderende trein een stopsein kunnen geven.