1. Behoudens hetgeen hierna is bepaald, is het krachtvoertuig aan het hoofd van de trein geplaatst.
2. Voertuigen als bedoeld in artikel 39mogen met de cabine voorop aan het hoofd van de trein worden geplaatst.
3. De machinist moet zich bevinden in de voorste cabine van het in het eerste lid bedoelde krachtvoertuig, dan wel in een voertuig als bedoeld in het tweede lid, wanneer dit aan het hoofd van de trein is geplaatst.
4. a. In de trein mogen twee of meer krachtvoertuigen zijn geplaatst die worden bediend door de in het derde lid bedoelde machinist.
b. Afzonderlijk bediende krachtvoertuigen mogen in de trein zijn geplaatst, indien de machinisten zich voortdurend door middel van een radioverbinding met elkaar kunnen verstaan.
c. Zonder deze radioverbinding mogen, behalve het krachtvoertuig dat wordt bediend door de in het derde lid bedoelde machinist, nog ten hoogste twee afzonderlijk bediende krachtvoertuigen in de trein zijn geplaatst, mits: - deze zijn aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem,
- deze in de trein zijn geplaatst als tweede en/of als laatste voertuig,
- de machinisten zich met elkaar kunnen verstaan door seinen, die omschreven worden in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.
- deze zijn aangesloten op het doorgaand zelfwerkend remsysteem,
- deze in de trein zijn geplaatst als tweede en/of als laatste voertuig,
- de machinisten zich met elkaar kunnen verstaan door seinen, die omschreven worden in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.
5. Treinen mogen worden opgedrukt door een niet aan de trein gekoppeld krachtvoertuig bij het bestijgen van moeilijke hellingen, het vertrekken van de stations en bij onvoldoende of weggevallen trekvermogen van het krachtvoertuig of van de krachtvoertuigen in de trein.
6. Afwijking van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is toegestaan bij:
a. treinen naar of van los- en laadplaatsen;
b. treinen naar of van spooraansluitingen;
c. bijzondere treinen die niet ten dienste van het vervoer van reizigers zijn ingelegd;
d. bedrijfsstoringen.
De wijze waarop de treinen dan mogen worden vervoerd, wordt geregeld in een afzonderlijke afdeling van het in
artikel 6 van de Spoorwegwetbedoelde dienstreglement, genaamd "Trein- en Rangeerdienstreglement".
7. Voor het rijden met andere dan de in artikel 33, vierde en vijfde lid, bedoelde krachtvoertuigen geeft de Directie bijzondere voorschriften.
8. Niet medewerkende, onbemande krachtvoertuigen blijven bij de bepaling van het aantal krachtvoertuigen buiten beschouwing.