BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 55
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. De voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen moeten, globaal eenmaal per etmaal, geheel worden nagezien. Daarbij moet er in het bijzonder op worden gelet, dat de voertuigen geen gebreken vertonen die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren.
2. Elke trein moet, voordat hij naar de eerste bestemming van de dag vertrekt, geheel zijn nagezien. Daarbij moet er in het bijzonder op worden gelet, dat:
a. indien de trein is voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dit goed werkt;
b. het remgewicht van de trein voldoet aan het bepaalde in artikel 53, eerste lid, en de remmen zoveel mogelijk gelijkelijk over de trein zijn verdeeld:
c. in de trein geen voertuigen zijn opgenomen die niet geschikt zijn voor de grootste snelheid waarmee de trein wordt vervoerd;
d. de voertuigen onderling op de juiste wijze zijn gekoppeld;
e. de voor de veiligheid nodige elektrische verbindingen tussen de voertuigen zijn aangebracht en deze goed werken;
f. de in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27, omschreven seinen en de in artikel 56 bedoelde seinmiddelen aanwezig zijn;
g. de buitendeuren van het reizigersmaterieel goed sluiten;
h. elke wagen zoveel mogelijk gelijkmatig is beladen en niet tot een zwaarder gewicht dan is toegelaten;
i. van een goederentrein de wagens en hun belading geen gebreken vertonen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen die worden ingezet bij RandstadRail, volgens een door de Directie vast te stellen schema nagezien. Daarbij wordt er in het bijzonder op gelet, dat de voertuigen geen gebreken vertonen die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren.
4. De Directie bepaalt op welke punten moeten worden gelet bij een wijziging in de samenstelling van de trein.
2. Elke trein moet, voordat hij naar de eerste bestemming van de dag vertrekt, geheel zijn nagezien. Daarbij moet er in het bijzonder op worden gelet, dat:
a. indien de trein is voorzien van een doorgaand zelfwerkend remsysteem dit goed werkt;
b. het remgewicht van de trein voldoet aan het bepaalde in artikel 53, eerste lid, en de remmen zoveel mogelijk gelijkelijk over de trein zijn verdeeld:
c. in de trein geen voertuigen zijn opgenomen die niet geschikt zijn voor de grootste snelheid waarmee de trein wordt vervoerd;
d. de voertuigen onderling op de juiste wijze zijn gekoppeld;
e. de voor de veiligheid nodige elektrische verbindingen tussen de voertuigen zijn aangebracht en deze goed werken;
f. de in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27, omschreven seinen en de in artikel 56 bedoelde seinmiddelen aanwezig zijn;
g. de buitendeuren van het reizigersmaterieel goed sluiten;
h. elke wagen zoveel mogelijk gelijkmatig is beladen en niet tot een zwaarder gewicht dan is toegelaten;
i. van een goederentrein de wagens en hun belading geen gebreken vertonen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden de voor treinen bestemde krachtvoertuigen en rijtuigen die worden ingezet bij RandstadRail, volgens een door de Directie vast te stellen schema nagezien. Daarbij wordt er in het bijzonder op gelet, dat de voertuigen geen gebreken vertonen die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren.
4. De Directie bepaalt op welke punten moeten worden gelet bij een wijziging in de samenstelling van de trein.