BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 19
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Als voldoende afsluiting van de spoorweg buiten de overwegen worden aangemerkt:
a. rivieren, kanalen en beken;
b. moerasgrond, rietland en land met dicht ineengegroeid houtgewas;
c. aangrenzend maaiveld, indien dat ten minste 3,00 m boven of onder de kruin van de spoorweg is gelegen;
d. waterhoudende sloten met een diepte van ten minste 0,70 m beneden de laagste waterstand en een bodembreedte van ten minste 1,00 m;
e. muren, schuttingen, rasterwerken, palen met ijzerdraden of vlechtwerk of andere soortgelijke afheiningen en levende dicht ineengegroeide heggen, een en ander met een hoogte van ten minste 1,00 m;
f. droge sloten, dammen of wallen tot afscheiding van bouwland, of bos-, duin- en heidegrond.
2. De Minister kan voor de inrichting van de afsluitingen, bedoeld onder <em>e</em>en <em>f</em>van het eerste lid, aanwijzingen geven en hij kan in bijzondere omstandigheden voor de afsluitingen, bedoeld onder <em>d</em>en <em>e</em>van het eerste lid, andere afmetingen voorschrijven of toestaan.
a. rivieren, kanalen en beken;
b. moerasgrond, rietland en land met dicht ineengegroeid houtgewas;
c. aangrenzend maaiveld, indien dat ten minste 3,00 m boven of onder de kruin van de spoorweg is gelegen;
d. waterhoudende sloten met een diepte van ten minste 0,70 m beneden de laagste waterstand en een bodembreedte van ten minste 1,00 m;
e. muren, schuttingen, rasterwerken, palen met ijzerdraden of vlechtwerk of andere soortgelijke afheiningen en levende dicht ineengegroeide heggen, een en ander met een hoogte van ten minste 1,00 m;
f. droge sloten, dammen of wallen tot afscheiding van bouwland, of bos-, duin- en heidegrond.
2. De Minister kan voor de inrichting van de afsluitingen, bedoeld onder <em>e</em>en <em>f</em>van het eerste lid, aanwijzingen geven en hij kan in bijzondere omstandigheden voor de afsluitingen, bedoeld onder <em>d</em>en <em>e</em>van het eerste lid, andere afmetingen voorschrijven of toestaan.