BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 52
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Een trein mag zijn samengesteld uit zoveel voertuigen, dat het aantal assen niet meer bedraagt dan 150 voor reizigerstreinen en 300 voor goederentreinen.
2. Indien een trein is samengesteld uit rijtuigen en wagens bepaalt de Directie of deze als reizigerstrein dan wel als goederentrein moet worden beschouwd.
3. In reizigerstreinen worden twee- of drie-assige voertuigen achteraan vervoerd. De Directie kan voertuigen aanwijzen waarvoor van deze bepaling mag worden afgeweken.
4. Indien in bijzondere gevallen geen reizigersmaterieel beschikbaar is, kan de Directie toestaan dat reizigers worden vervoerd in ander door haar aan te wijzen gesloten materieel, mits:
a. dit materieel aan de leiding van het doorgaand zelfwerkend remsysteem is aangesloten, met dien verstande dat - onverminderd het overigens in artikel 53, vijfde lid, bepaalde - niet vereist is dat het remwerk in elk voertuig in werking kan worden gesteld;
b. de trein met geen grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd;
c. de schuifdeuren tijdens de rit in gedeeltelijk geopende stand zijn vastgezet;
d. voor zover mogelijk voor passende zitgelegenheid wordt gezorgd.
5. Voor het geval in een reizigerstrein die met een grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd, houten met reizigers bezette rijtuigen of wagens voorkomen, worden deze achteraan vervoerd.
6. Elke trein voert de front- en sluitseinen als omschreven in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.
2. Indien een trein is samengesteld uit rijtuigen en wagens bepaalt de Directie of deze als reizigerstrein dan wel als goederentrein moet worden beschouwd.
3. In reizigerstreinen worden twee- of drie-assige voertuigen achteraan vervoerd. De Directie kan voertuigen aanwijzen waarvoor van deze bepaling mag worden afgeweken.
4. Indien in bijzondere gevallen geen reizigersmaterieel beschikbaar is, kan de Directie toestaan dat reizigers worden vervoerd in ander door haar aan te wijzen gesloten materieel, mits:
a. dit materieel aan de leiding van het doorgaand zelfwerkend remsysteem is aangesloten, met dien verstande dat - onverminderd het overigens in artikel 53, vijfde lid, bepaalde - niet vereist is dat het remwerk in elk voertuig in werking kan worden gesteld;
b. de trein met geen grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd;
c. de schuifdeuren tijdens de rit in gedeeltelijk geopende stand zijn vastgezet;
d. voor zover mogelijk voor passende zitgelegenheid wordt gezorgd.
5. Voor het geval in een reizigerstrein die met een grotere snelheid dan 80 km/h wordt vervoerd, houten met reizigers bezette rijtuigen of wagens voorkomen, worden deze achteraan vervoerd.
6. Elke trein voert de front- en sluitseinen als omschreven in het Seinreglement, bedoeld in artikel 27.