BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 20
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Overwegen kunnen worden beveiligd door:
a. verkeerslichten als bedoeld in artikel 71 van het RVV 1990;
b. verkeerslichten als bedoeld in artikel 71 van het RVV 1990 in combinatie met halve overwegbomen of sluitbomen;
c. verkeerslichten als bedoeld in de artikelen 68, 69 dan wel 74, van het RVV 1990, op overwegen waar de hoogste snelheid van het spoorwegverkeer niet meer dan 40 km/h bedraagt;
d. hekken die zodanig zijn ingericht, dat zij niet naar de zijde van de spoorweg opengaan;
e. personeel dat een stopteken toont als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van het RVV 1990.
2. Bij overwegen en overgangen leidende naar spoorweggedeelten op de openbare weg kunnen met betrekking tot treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen de volgende veiligheidsmaatregelen worden toegepast:
a. het geven van geluidssignalen;
b. het verminderen van de snelheid;
c. het tot stilstand brengen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid kunnen overwegen in voetpaden en fietspaden worden beveiligd door klaphekken of zig-zaghekken en overwegen in voetpaden door draaikruisen.
4. De uitvoering van de voorzieningen, genoemd in het eerste en het derde lid, en van hierop aanvullende voorzieningen behoeft de instemming van de Minister. De Minister kan aanvullende voorzieningen voorschrijven.
5. Indien naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding bestaat, kan hij andere maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.
6. Indien de plaatselijke situatie bij een overweg naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding geeft, kan hij aanvullende maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.
7. Overwegen, welke niet op de in het eerste lid, onder <em>e</em>, genoemde wijze worden beveiligd, kunnen buiten de diensturen of in geval van storing of buitendienststelling eveneens op de in het eerste lid, onder <em>e</em>, genoemde wijze worden beveiligd.
a. verkeerslichten als bedoeld in artikel 71 van het RVV 1990;
b. verkeerslichten als bedoeld in artikel 71 van het RVV 1990 in combinatie met halve overwegbomen of sluitbomen;
c. verkeerslichten als bedoeld in de artikelen 68, 69 dan wel 74, van het RVV 1990, op overwegen waar de hoogste snelheid van het spoorwegverkeer niet meer dan 40 km/h bedraagt;
d. hekken die zodanig zijn ingericht, dat zij niet naar de zijde van de spoorweg opengaan;
e. personeel dat een stopteken toont als bedoeld in artikel 82, vierde lid, van het RVV 1990.
2. Bij overwegen en overgangen leidende naar spoorweggedeelten op de openbare weg kunnen met betrekking tot treinen, rangeerdelen en bijzondere voertuigen de volgende veiligheidsmaatregelen worden toegepast:
a. het geven van geluidssignalen;
b. het verminderen van de snelheid;
c. het tot stilstand brengen.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid kunnen overwegen in voetpaden en fietspaden worden beveiligd door klaphekken of zig-zaghekken en overwegen in voetpaden door draaikruisen.
4. De uitvoering van de voorzieningen, genoemd in het eerste en het derde lid, en van hierop aanvullende voorzieningen behoeft de instemming van de Minister. De Minister kan aanvullende voorzieningen voorschrijven.
5. Indien naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding bestaat, kan hij andere maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.
6. Indien de plaatselijke situatie bij een overweg naar het oordeel van de Minister daartoe aanleiding geeft, kan hij aanvullende maatregelen of voorzieningen in het belang van de veiligheid voorschrijven.
7. Overwegen, welke niet op de in het eerste lid, onder <em>e</em>, genoemde wijze worden beveiligd, kunnen buiten de diensturen of in geval van storing of buitendienststelling eveneens op de in het eerste lid, onder <em>e</em>, genoemde wijze worden beveiligd.