BWBR0003083
Geldig vanaf 1977-04-18
Artikel 58
Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen
1. Een trein mag een spoorgedeelte eerst berijden, indien:
a. de zekerheid is verkregen dat dit spoorgedeelte vrij is;
b. de zekerheid is verkregen dat op dat spoorgedeelte geen trein uit tegengestelde richting gelijktijdig wordt toegelaten;
c. een en ander door seinen aan de machinist is kenbaar gemaakt;
d. een en ander door seinen of op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aangeduide andere wijze aan de machinist is kenbaar gemaakt.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, wordt op een der volgende wijzen verkregen:
a. door middel van zelfwerkend blokstelsel, waarbij het desbetreffende seinbeeld alleen kan worden getoond, indien het te berijden spoorgedeelte vrij is en tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;
b. door middel van bediend blokstelsel, waarbij het desbetreffende sein, nadat het is bediend voor een trein, alleen opnieuw kan worden bediend, nadat door inrichtingen of door waarneming is vastgesteld, dat deze trein het desbetreffende spoorgedeelte heeft verlaten en door inrichtingen tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;
c. Op door de Minister aan te wijzen voor het vervoer van reizigers bestemde spoorwegen of gedeelten daarvan, doordat het betrokken personeellid eerst toestemming geeft om een spoorgedeelte te berijden, nadat hem is meegedeeld of uit zijn eigen waarneming is gebleken, dat de voorgaande trein dit spoorgedeelte heeft verlaten en geen trein gelijktijdig uit tegengestelde richting wordt toegelaten;
d. op spoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen, op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aan te geven wijze.
3. In het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt aangegeven hoe, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder <em>a</em>en <em>c</em>, treinbewegingen plaats hebben:
a. bij afwijkend gebruik van de sporen;
b. op stations;
c. indien een seinbeeld wordt getoond dat het voorbijrijden toelaat, maar daarbij niet de zekerheid geeft dat het te berijden spoorgedeelte vrij is;
d. indien een trein niet is uitgerust met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
e. in geval van storing.
4. in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt geregeld hoe treinbewegingen worden beveiligd tegen rangeerbewegingen.
a. de zekerheid is verkregen dat dit spoorgedeelte vrij is;
b. de zekerheid is verkregen dat op dat spoorgedeelte geen trein uit tegengestelde richting gelijktijdig wordt toegelaten;
c. een en ander door seinen aan de machinist is kenbaar gemaakt;
d. een en ander door seinen of op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aangeduide andere wijze aan de machinist is kenbaar gemaakt.
2. De zekerheid, bedoeld in het eerste lid, wordt op een der volgende wijzen verkregen:
a. door middel van zelfwerkend blokstelsel, waarbij het desbetreffende seinbeeld alleen kan worden getoond, indien het te berijden spoorgedeelte vrij is en tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;
b. door middel van bediend blokstelsel, waarbij het desbetreffende sein, nadat het is bediend voor een trein, alleen opnieuw kan worden bediend, nadat door inrichtingen of door waarneming is vastgesteld, dat deze trein het desbetreffende spoorgedeelte heeft verlaten en door inrichtingen tevens is uitgesloten, dat een sein gelijktijdig een trein uit tegengestelde richting toelaat;
c. Op door de Minister aan te wijzen voor het vervoer van reizigers bestemde spoorwegen of gedeelten daarvan, doordat het betrokken personeellid eerst toestemming geeft om een spoorgedeelte te berijden, nadat hem is meegedeeld of uit zijn eigen waarneming is gebleken, dat de voorgaande trein dit spoorgedeelte heeft verlaten en geen trein gelijktijdig uit tegengestelde richting wordt toegelaten;
d. op spoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor het vervoer van goederen, op een in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, aan te geven wijze.
3. In het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt aangegeven hoe, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder <em>a</em>en <em>c</em>, treinbewegingen plaats hebben:
a. bij afwijkend gebruik van de sporen;
b. op stations;
c. indien een seinbeeld wordt getoond dat het voorbijrijden toelaat, maar daarbij niet de zekerheid geeft dat het te berijden spoorgedeelte vrij is;
d. indien een trein niet is uitgerust met een doorgaand zelfwerkend remsysteem;
e. in geval van storing.
4. in het Trein- en Rangeerdienstreglement, bedoeld in artikel 51, wordt geregeld hoe treinbewegingen worden beveiligd tegen rangeerbewegingen.