1. Onverminderd de
artikelen 7, eerste lid, en
8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestandenkunnen, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de artikelen 17a, 18, 19, 23, 24en 50, tweede alinea, in werking worden gesteld.
2. Wanneer het in de eerste alinea bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.
3. Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge de eerste alinea in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.
4. Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge de eerste alinea in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.
5. Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking..
6. Het besluit, bedoeld in de eerste, derde en vierde alinea, wordt in ieder geval geplaatst in het
Staatsblad.