BWBR0001827
Geldig vanaf 1838-10-01
Artikel 193
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve, vergezeld van de griffier, een plaatselijke gesteldheid opnemen of zaken bezichtigen die niet of bezwaarlijk ter zitting kunnen worden meegebracht.
2. Het daartoe strekkende vonnis vermeldt de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen, de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de plaats van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de verrichting op te maken proces-verbaal aan partijen moet zijn verstrekt en de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
3. De rechter heeft voor het doen van een plaatsopneming of een bezichtiging als bedoeld in het eerste lid, toegang tot elke plaats. Op het proces-verbaal als bedoeld in het tweede lid, zijn de <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10</a>en <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden</a>van overeenkomstige toepassing.
4. Partijen worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de rechter die de verrichting heeft gedaan. In geval van toepassing van artikel 90, zevende en achtste lid, kan ook een proces-verbaal worden opgemaakt met een zakelijke samenvatting van hetgeen is voorgevallen tijdens de plaatsopneming of bezichtiging.
5. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. De vierde paragraaf van deze afdeling is hierop van toepassing, met uitzondering van artikel 170.
6. De rechter kan zich tot de uitoefening van de in dit artikel toegekende bevoegdheden buiten zijn rechtsgebied begeven.
7. De reis- en verblijfkosten van de rechter en de griffier komen ten laste van de Staat.
2. Het daartoe strekkende vonnis vermeldt de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen, de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de plaats van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de verrichting op te maken proces-verbaal aan partijen moet zijn verstrekt en de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.
3. De rechter heeft voor het doen van een plaatsopneming of een bezichtiging als bedoeld in het eerste lid, toegang tot elke plaats. Op het proces-verbaal als bedoeld in het tweede lid, zijn de <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/10" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 10</a>en <a href="/wet/BWBR0006763/artikel/11" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">11, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden</a>van overeenkomstige toepassing.
4. Partijen worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de rechter die de verrichting heeft gedaan. In geval van toepassing van artikel 90, zevende en achtste lid, kan ook een proces-verbaal worden opgemaakt met een zakelijke samenvatting van hetgeen is voorgevallen tijdens de plaatsopneming of bezichtiging.
5. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. De vierde paragraaf van deze afdeling is hierop van toepassing, met uitzondering van artikel 170.
6. De rechter kan zich tot de uitoefening van de in dit artikel toegekende bevoegdheden buiten zijn rechtsgebied begeven.
7. De reis- en verblijfkosten van de rechter en de griffier komen ten laste van de Staat.