BWBR0001827
Geldig vanaf 1838-10-01
Artikel 268
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. In zaken betreffende nalatenschappen is bevoegd de rechter van de laatste woonplaats van de overledene. In afwijking van de eerste zin is in zaken die volgens <a href="/wet/BWBR0002761" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek</a>met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende.
2. Van de in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12, vierde lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>, bedoelde beschikking wordt door de griffier afschrift gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen kantonrechter, aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts aan de curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing gebonden.
2. Van de in <a href="/wet/BWBR0002656/artikel/12" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 12, vierde lid, tweede volzin, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek</a>, bedoelde beschikking wordt door de griffier afschrift gezonden aan de als uitsluitend bevoegde aangewezen kantonrechter, aan de onder curatele gestelde, de rechthebbende en degene ten behoeve van wie een mentorschap is ingesteld en voorts aan de curator, de mentor en aan ieder der bewindvoerders. Van de beslissing is geen hogere voorziening toegelaten. De kantonrechter die als uitsluitend bevoegde is aangewezen, is aan die aanwijzing gebonden.