BWBR0001827
Geldig vanaf 1838-10-01
Artikel 624
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Bevoegd tot kennisneming van verzoeken tot machtiging tot doorhaling als bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/195" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 195</a>of <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/786" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">786 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek</a>is de rechtbank Rotterdam.
2. Bevoegd tot kennisneming van verzoeken tot goedkeuring als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/1303" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1303, vierde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek</a>en tot machtiging tot doorhaling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/1304" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1304 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek</a>is de rechtbank van de woonplaats, bedoeld in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Machtiging wordt slechts verleend na verhoor of behoorlijke oproeping van degenen van wier recht of beslag uit een inschrijving blijkt of te wier gunste voorlopige aantekeningen bestaan. Deze machtiging wordt door de griffier der rechtbank op het verzoekschrift aangetekend.
4. Bij de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, is de tussenkomst van een advocaat niet vereist.
2. Bevoegd tot kennisneming van verzoeken tot goedkeuring als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/1303" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1303, vierde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek</a>en tot machtiging tot doorhaling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005034/artikel/1304" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1304 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek</a>is de rechtbank van de woonplaats, bedoeld in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Machtiging wordt slechts verleend na verhoor of behoorlijke oproeping van degenen van wier recht of beslag uit een inschrijving blijkt of te wier gunste voorlopige aantekeningen bestaan. Deze machtiging wordt door de griffier der rechtbank op het verzoekschrift aangetekend.
4. Bij de verzoeken, bedoeld in het eerste lid, is de tussenkomst van een advocaat niet vereist.