Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-05-28
ECLI:NL:RBOBR:2025:3834
Civiel recht
Bodemzaak
2,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/412646 / HA ZA 25-118
Vonnis in incident van 28 mei 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats] ,2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. R.A. van Helvoirt,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.A.A. van der Weijst.
1Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2025
- de akte aantonen domicilie van [eisers] van 5 maart 2025
- de incidentele conclusie van [gedaagde] van 16 april 2025
- het antwoord in incident van [eisers] van 30 april 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
Korte schets van de hoofdzaak:
2.1.
In de hoofdzaak speelt, kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende.
De hoofdzaak betreft een schadestaatprocedure. Partijen hebben eerder een juridische procedure tegen elkaar gevoerd (in eerste aanleg en in hoger beroep). [eisers] heeft in die eerdere procedure vorderingen ingesteld in verband met – kort gezegd – gebreken aan de woning die [eisers] in 2016 van [gedaagde] heeft gekocht en geleverd heeft gekregen. In die eerdere procedure is [gedaagde] veroordeeld tot het vergoeden van de herstelkosten van een aantal van die gebreken, nader op te maken bij staat.
[eisers] becijfert zijn schade op een hoofdsom van € 231.579,36. In de hoofdzaak vordert [eisers] betaling van zijn schade.
De incidentele vorderingen van [gedaagde] :
2.2.
[gedaagde] vordert in het incident (zoals de rechtbank de vorderingen begrijpt):
dat de rechtbank [eisers] op de voet van artikel 22 Rv gelast om zijn stellingen aan te vullen bij ondertekende akte;
dat de rechtbank [eisers] veroordeelt om de originele bouwtekening van de oorspronkelijke garagevloer in het geding te brengen;
dat de rechtbank een descente gelast in en rond de woning van [eisers] ;
a. primair dat de rechtbank een of meer deskundigen benoemt, zoals een architect en een bouwkundig aannemer, waarbij de rechtbank [eisers] gelast om de kosten van de deskundige te voldoen;
b. subsidiair dat de rechtbank bij wege van een voorlopige voorziening (als bedoeld in artikel 223 Rv) [eisers] beveelt om toe te staan dat partijen met hun eigen (bouwkundig onderlegde) deskundigen de woning kunnen betreden voor een gezamenlijke bezichtiging en opneming.
met veroordeling van [eisers] in de kosten van het incident.
2.3.
[eisers] voert verweer tegen deze vorderingen.
2.4.
De rechtbank zal deze vorderingen hierna afzonderlijk bespreken en daarbij voor zover nodig nader ingaan op de door [gedaagde] gegeven grondslag voor de vorderingen en het daartegen door [eisers] gevoerde verweer.
De incidentele vordering onder 1:
2.5.
[gedaagde] grondt deze vordering uitdrukkelijk alleen op artikel 22 Rv. Dat artikel geeft de rechter een bevoegdheid om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of om bescheiden over te leggen. [eisers] wijst er in zijn verweer terecht op, dat dit een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. Naar het oordeel van de rechtbank kan [gedaagde] aan dat artikel geen zelfstandig vorderingsrecht ontlenen.
De rechtbank zelf ziet overigens in deze incidentele procedure geen aanleiding om [eisers] te bevelen om zijn stellingen op de door [gedaagde] aangegeven wijze aan te vullen. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om – indien hij dat voor de inhoudelijke behandeling van de zaak nodig acht – [eisers] met toepassing van artikel 22 Rv te bevelen bepaalde stellingen nader toe te lichten of stukken in het geding te brengen. Het staat [gedaagde] vrij om een verzoek tot toepassing van artikel 22 Rv aan de rechter in de hoofdzaak te richten.
Deze vordering van [gedaagde] komt daarom in deze incidentele procedure niet voor toewijzing in aanmerking.
De incidentele vordering onder 2:
2.6.
[gedaagde] wenst dat [eisers] de bouwtekening van de garagevloer van de woning in het geding brengt, die [gedaagde] bij levering van de woning aan [eisers] heeft overhandigd. Ook bij deze vordering beroept [gedaagde] zich echter alleen op artikel 22 Rv. Zoals hiervoor overwogen, biedt dat artikel [gedaagde] geen zelfstandig vorderingsrecht. Ook hier geldt bovendien dat de rechtbank zelf geen aanleiding ziet om van [eisers] te verlangen dat hij de bouwtekeningen van de garagevloer in het geding brengt. Nog daargelaten dat [eisers] heeft gesteld dat hij niet meer over die tekeningen beschikt.
Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.
De incidentele vordering onder 3:
2.7.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank een descente gelast en hij grondt die vordering op artikel 193 Rv. Daarin is bepaald dat de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een plaatselijke gesteldheid kan opnemen. Ook dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de rechter en vormt niet een juridische grond voor het instellen van een vordering door een procespartij, waarop in een incidentele procedure kan worden beslist. Ook hierbij geldt dat [gedaagde] zijn verzoek om een plaatsopneming/descente kan richten tot de rechter die de hoofdzaak behandelt. Het is aan die rechter om te beoordelen of een plaatsopneming in deze zaak, gelet op de stellingen en stukken van partijen, aangewezen is.
De vordering onder 3 zal worden afgewezen.
De incidentele vordering onder 4:
2.8.
Met zijn vordering onder 4a beoogt [gedaagde] te bewerkstelligen dat de rechtbank een deskundigenbericht gelast. Op grond van artikel 186 Rv, waar [gedaagde] deze vordering op baseert, kan de rechter op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of een verhoor van een deskundige bevelen. Ook dit is een zogenoemde kan-bepaling, wat inhoudt dat het een discretionaire bevoegdheid van de rechter is om in een lopende procedure een deskundigenbericht te kunnen gelasten. Een incidentele vordering zoals die van [gedaagde] kan daarop niet worden gebaseerd. Het is aan de rechter die de hoofdzaak behandelt om te beoordelen of een deskundigenonderzoek in deze zaak nodig is.
Vordering 4a komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
2.9.
Onder 4b vordert [gedaagde] als voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv dat het hem wordt toegestaan om met een eigen (bouwkundig) deskundige de woning te betreden.
Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer [gedaagde] daarbij voldoende belang heeft. Dit kan bijvoorbeeld daarin bestaan dat [gedaagde] de afloop van de hoofdzaak niet kan afwachten of dat een deel van de hoofdvordering krachtens een eindbeslissing reeds toewijsbaar is.
Naar het oordeel van de rechtbank doet geen van deze situaties zich hier voor. Daarbij is allereerst van belang dat het betreden van andermans woning een grote inbreuk in de persoonlijke levenssfeer van die ander oplevert. Bij het beoordelen van een vordering op dat punt, past daarom grote terughoudendheid. Gelet hierop heeft [gedaagde] zijn belang bij het mogen betreden van de woning onvoldoende onderbouwt. Niet valt in te zien dat het betreden van de woning met een eigen deskundige voor [gedaagde] noodzakelijk is om een gedegen verweer te voeren tegen de vorderingen van [eisers] in de hoofdzaak. Een ander belang heeft [gedaagde] niet naar voren gebracht.
De conclusie en de proceskosten:
2.10.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vorderingen van [gedaagde] moeten worden afgewezen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) van het incident worden veroordeeld.
Dictum
in het incident:
3.1.
wijst de incidentele vorderingen van [gedaagde] af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak:
3.3.
verwijst de zaak naar de rol van 9 juli 2025 voor conclusie van antwoord,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.