BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 9
Wet bemanning zeeschepen
1. De kapitein draagt er zorg voor dat de bemanning van het zeeschip te allen tijde berekend is op het verrichten van de werkzaamheden aan boord gelet op de bedrijfsvoering van het zeeschip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer en kan daartoe noodzakelijke maatregelen nemen, waaronder de maatregel om het schip niet te laten uitvaren.
2. De kapitein draagt er zorg voor dat het wachtpersoneel de beginselen van een veilige wacht in acht neemt in overeenstemming met de voorschriften VIII/1 en VIII/2 van de bijlage bij het STCW-verdrag dan wel, voor vissersvaartuigen, de voorschriften voor een veilige wacht in overeenstemming met voorschrift 1 van hoofdstuk IV van de annex bij het STCW F-verdrag.
3. De kapitein draagt er zorg voor dat een op grond van hoofdstuk 3vereist vaarbevoegdheidsbewijs, bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs aan boord aanwezig is.
4. De kapitein organiseert de werkzaamheden en de wachtindeling zodanig dat het wachtpersoneel voldoende uitgerust en anderszins geschikt is om dienst te doen bij aanvang van de wacht.
5. De kapitein verlaat het zeeschip niet gedurende de vaart of bij dreigend gevaar, tenzij zijn afwezigheid volstrekt noodzakelijk is of de zorg voor lijfsbehoud hem daartoe dwingt.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.
2. De kapitein draagt er zorg voor dat het wachtpersoneel de beginselen van een veilige wacht in acht neemt in overeenstemming met de voorschriften VIII/1 en VIII/2 van de bijlage bij het STCW-verdrag dan wel, voor vissersvaartuigen, de voorschriften voor een veilige wacht in overeenstemming met voorschrift 1 van hoofdstuk IV van de annex bij het STCW F-verdrag.
3. De kapitein draagt er zorg voor dat een op grond van hoofdstuk 3vereist vaarbevoegdheidsbewijs, bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs aan boord aanwezig is.
4. De kapitein organiseert de werkzaamheden en de wachtindeling zodanig dat het wachtpersoneel voldoende uitgerust en anderszins geschikt is om dienst te doen bij aanvang van de wacht.
5. De kapitein verlaat het zeeschip niet gedurende de vaart of bij dreigend gevaar, tenzij zijn afwezigheid volstrekt noodzakelijk is of de zorg voor lijfsbehoud hem daartoe dwingt.
6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste tot en met vierde lid.