BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 4
Wet bemanning zeeschepen
1. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat zijn zeeschip of zeeschepen zodanig zijn bemand dat redelijkerwijs alle werkzaamheden aan boord kunnen worden verricht gelet op de bedrijfsvoering, het voorkomen van oververmoeidheid van zeevarenden, zonder gevaar voor de opvarenden, het zeeschip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer en met inachtneming van de geldende arbeids- en rusttijden.
2. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat elke zeevarende aan boord voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van de opleiding, kennis, diensttijd, vakbekwaamheid en medische geschiktheid, in overeenstemming met de bepalingen opgenomen in richtlijn (EU) 2022/993, richtlijn 2009/13/EG, richtlijn (EU) 2017/159, het SOLAS-verdrag, het STCW-verdrag, STCW F-verdrag, het MLC-verdrag of het C188-verdrag.
3. De scheepsbeheerder draagt zorg voor behoorlijke en veilige huisvesting, recreatieve voorzieningen en kosteloos drinkwater en voeding van voldoende hoeveelheid, kwaliteit, voedingswaarde en variëteit en rekening houdend met godsdienstige voorschriften en culturele gebruiken voor de zeevarenden aan boord van zijn zeeschip, met inachtneming van de daaraan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met de in het MLC-verdrag of het C188-verdrag gestelde eisen.
4. De scheepsbeheerder draagt zorg voor een schriftelijk beleid ten aanzien van de voorkoming van alcohol- en drugsmisbruik door zeevarenden die veiligheidstaken, beveiligingstaken of taken die verband houden met het mariene milieu uitvoeren. Hierbij wordt aandacht geschonken aan voorlichting omtrent de gevolgen van het gebruik van alcohol en drugs en aan het gebruik van alcohol en drugs door zeevarenden tijdens het werk.
5. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem in staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te voldoen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het gestelde in het eerste tot en met het vijfde lid.
2. De scheepsbeheerder draagt er zorg voor dat elke zeevarende aan boord voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen ten aanzien van de opleiding, kennis, diensttijd, vakbekwaamheid en medische geschiktheid, in overeenstemming met de bepalingen opgenomen in richtlijn (EU) 2022/993, richtlijn 2009/13/EG, richtlijn (EU) 2017/159, het SOLAS-verdrag, het STCW-verdrag, STCW F-verdrag, het MLC-verdrag of het C188-verdrag.
3. De scheepsbeheerder draagt zorg voor behoorlijke en veilige huisvesting, recreatieve voorzieningen en kosteloos drinkwater en voeding van voldoende hoeveelheid, kwaliteit, voedingswaarde en variëteit en rekening houdend met godsdienstige voorschriften en culturele gebruiken voor de zeevarenden aan boord van zijn zeeschip, met inachtneming van de daaraan bij ministeriële regeling, in overeenstemming met de in het MLC-verdrag of het C188-verdrag gestelde eisen.
4. De scheepsbeheerder draagt zorg voor een schriftelijk beleid ten aanzien van de voorkoming van alcohol- en drugsmisbruik door zeevarenden die veiligheidstaken, beveiligingstaken of taken die verband houden met het mariene milieu uitvoeren. Hierbij wordt aandacht geschonken aan voorlichting omtrent de gevolgen van het gebruik van alcohol en drugs en aan het gebruik van alcohol en drugs door zeevarenden tijdens het werk.
5. De scheepsbeheerder verschaft de kapitein de middelen die hem in staat stellen om aan zijn verplichtingen ingevolge deze wet te voldoen.
6. Bij ministeriële regeling kunnen in het belang van een goede uitvoering nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het gestelde in het eerste tot en met het vijfde lid.