BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 64
Wet bemanning zeeschepen
1. De ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport is bevoegd een zeeschip aan te houden, indien er voorafgaand aan het vertrek naar zee:
a. geen bemanningscertificaat voor het zeeschip is afgegeven of het bemanningscertificaat ongeldig is;
b. de door hem aangetroffen bemanning niet ten minste in overeenstemming is met het bemanningscertificaat;
c. van het zeeschip kennelijk een ander gebruik wordt of zal worden gemaakt dan overeenkomstig de beperkingen of voorwaarden vermeld in het bemanningscertificaat;
d. geen certificaat maritieme arbeid is afgegeven of het certificaat maritieme arbeid ongeldig is indien het brutotonnage van dat zeeschip 500 GT of meer, anders dan een vissersvaartuig bedraagt en internationale reizen maakt;
e. geen visserij-arbeidscertificaat is afgegeven of het visserij-arbeidscertificaat ongeldig is van een vissersvaartuig indien dat gewoonlijk per reis meer dan drie dagen op zee verblijft en een lengte heeft van 24 meter of meer dan wel normaliter vaart op een afstand van meer dan 200 zeemijl tot de Nederlandse kustlijn.
f. er sprake is van een ernstige of herhaalde schending van het MLC-verdrag dan wel, voor een vissersvaartuig, het C188-verdrag; of
g. er ernstig gevaar bestaat voor de veiligheid, gezondheid of beveiliging van de zeevarenden.
2. De ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport is eveneens bevoegd een zeeschip aan te houden, indien de toezichthouder dan wel de inspecteur, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0023746/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet</a>de toegang tot het zeeschip wordt geweigerd of indien geen medewerking aan diens onderzoek wordt gegeven.
3. De aanhouding wordt opgeheven, zodra de reden voor de aanhouding is komen te vervallen.
a. geen bemanningscertificaat voor het zeeschip is afgegeven of het bemanningscertificaat ongeldig is;
b. de door hem aangetroffen bemanning niet ten minste in overeenstemming is met het bemanningscertificaat;
c. van het zeeschip kennelijk een ander gebruik wordt of zal worden gemaakt dan overeenkomstig de beperkingen of voorwaarden vermeld in het bemanningscertificaat;
d. geen certificaat maritieme arbeid is afgegeven of het certificaat maritieme arbeid ongeldig is indien het brutotonnage van dat zeeschip 500 GT of meer, anders dan een vissersvaartuig bedraagt en internationale reizen maakt;
e. geen visserij-arbeidscertificaat is afgegeven of het visserij-arbeidscertificaat ongeldig is van een vissersvaartuig indien dat gewoonlijk per reis meer dan drie dagen op zee verblijft en een lengte heeft van 24 meter of meer dan wel normaliter vaart op een afstand van meer dan 200 zeemijl tot de Nederlandse kustlijn.
f. er sprake is van een ernstige of herhaalde schending van het MLC-verdrag dan wel, voor een vissersvaartuig, het C188-verdrag; of
g. er ernstig gevaar bestaat voor de veiligheid, gezondheid of beveiliging van de zeevarenden.
2. De ambtenaar van de Inspectie Leefomgeving en Transport is eveneens bevoegd een zeeschip aan te houden, indien de toezichthouder dan wel de inspecteur, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0023746/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene douanewet</a>de toegang tot het zeeschip wordt geweigerd of indien geen medewerking aan diens onderzoek wordt gegeven.
3. De aanhouding wordt opgeheven, zodra de reden voor de aanhouding is komen te vervallen.