BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 23
Wet bemanning zeeschepen
1. Een zeevarende die aan boord van een zeeschip een functie vervult van kapitein of officier als bedoeld in:
a. de hoofdstukken II tot en met IV of VII van de bijlage bij het STCW-verdrag en de bijbehorende codes, of
b. hoofdstuk II van de bijlage bij het STCW F-verdrag;
is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs of door Onze Minister erkend buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
2. Een zeevarende die aan boord van een zeeschip een functie van gezel vervult als bedoeld in de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-verdrag en de bijbehorende codes of hoofdstuk IV van het STCW F-verdrag is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het derde lid, en de benodigde kennisbewijzen, beroepseisen en eisen van medische geschiktheid van de zeevarende vereist voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de genoemde functies.
5. Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan ten aanzien van een zeevarende, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, voor een bepaald zeeschip, een bepaalde functie of een bepaalde periode van niet meer dan zes maanden, door Onze Minister ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot ontheffing kunnen ter waarborging van de veiligheid voorschriften worden verbonden.
a. de hoofdstukken II tot en met IV of VII van de bijlage bij het STCW-verdrag en de bijbehorende codes, of
b. hoofdstuk II van de bijlage bij het STCW F-verdrag;
is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs of door Onze Minister erkend buitenlands vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
2. Een zeevarende die aan boord van een zeeschip een functie van gezel vervult als bedoeld in de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-verdrag en de bijbehorende codes of hoofdstuk IV van het STCW F-verdrag is in het bezit van een vaarbevoegdheidsbewijs voor die functie.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het derde lid, en de benodigde kennisbewijzen, beroepseisen en eisen van medische geschiktheid van de zeevarende vereist voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de genoemde functies.
5. Van de in het eerste lid bedoelde verplichting kan ten aanzien van een zeevarende, met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels, voor een bepaald zeeschip, een bepaalde functie of een bepaalde periode van niet meer dan zes maanden, door Onze Minister ontheffing worden verleend. Aan een besluit tot ontheffing kunnen ter waarborging van de veiligheid voorschriften worden verbonden.