BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 33
Wet bemanning zeeschepen
1. Onze Minister onderzoekt schriftelijke verklaringen over of aanwijzingen van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord van houders van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 23, eerste en tweede lid, 24, eerste liden 25, eerste lid.
2. Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, ten aanzien van wie een gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat, daarvan in kennis. De zeevarende is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te onderwerpen aan een medisch onderzoek met inachtneming van door Onze Minister te geven aanwijzingen.
3. Bij gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen keuringsarts die onderzoekt of de betrokkene medisch geschikt is voor de functie die hij uitoefent.
4. Indien bij een periodiek onderzoek of bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde eisen voor medische geschiktheid, zal de keuringsarts geen nieuwe geneeskundige verklaring zeevaart afgeven. Onze Minister kan de desbetreffende geneeskundige verklaring zeevaart ongeldig verklaren.
5. Artikel 32is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen deskundige die onderzoekt of de houder voldoet aan de medische beroepseisen voor de functie die hij uitoefent.
7. Indien bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde medische beroepseisen voor de functie die hij uitoefent, verklaart Onze Minister het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs ongeldig.
8. Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in het tweede lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige reden daartoe blijkt, kan Onze Minister zonder nader onderzoek het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs ongeldig verklaren.
2. Onze Minister stelt de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs, ten aanzien van wie een gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid of onbekwaamheid tot het uitoefenen van zijn functie aan boord bestaat, daarvan in kennis. De zeevarende is verplicht zich bij de eerste gelegenheid te onderwerpen aan een medisch onderzoek met inachtneming van door Onze Minister te geven aanwijzingen.
3. Bij gegrond vermoeden van medische ongeschiktheid wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen keuringsarts die onderzoekt of de betrokkene medisch geschikt is voor de functie die hij uitoefent.
4. Indien bij een periodiek onderzoek of bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde eisen voor medische geschiktheid, zal de keuringsarts geen nieuwe geneeskundige verklaring zeevaart afgeven. Onze Minister kan de desbetreffende geneeskundige verklaring zeevaart ongeldig verklaren.
5. Artikel 32is van overeenkomstige toepassing.
6. Bij gegrond vermoeden van onbekwaamheid tot het uitoefenen van een functie aan boord wordt het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, ingesteld door een door Onze Minister aangewezen deskundige die onderzoekt of de houder voldoet aan de medische beroepseisen voor de functie die hij uitoefent.
7. Indien bij een in het tweede lid bedoeld onderzoek blijkt dat de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs niet voldoet aan de krachtens deze wet gestelde medische beroepseisen voor de functie die hij uitoefent, verklaart Onze Minister het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs ongeldig.
8. Indien de houder van een vaarbevoegdheidsbewijs niet aan de in het tweede lid bedoelde verplichting voldoet zonder dat van een geldige reden daartoe blijkt, kan Onze Minister zonder nader onderzoek het afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs ongeldig verklaren.