BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 24
Wet bemanning zeeschepen
1. Een zeevarende die aan boord van een zeeschip een functie of taak vervult als bedoeld in hoofdstuk V van de bijlage bij het STCW-verdrag is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs voor die functie of taak en voldoet alvorens hij deze aanvangt aan de overige bijzondere eisen voor die functie of taak.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het tweede lid, de benodigde trainingen en beroepseisen vereist voor de afgifte van een bekwaamheidsbewijs voor de genoemde functie of taak en het schriftelijk bewijs om aan te tonen dat voldaan wordt aan de overige bijzondere eisen voor die functie of taak.
4. De trainingen, bedoeld in het derde lid, worden op aanvraag door Onze Minister erkend.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanvraag en de intrekking van een erkenning van een training als bedoeld in het vierde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het tweede lid, de benodigde trainingen en beroepseisen vereist voor de afgifte van een bekwaamheidsbewijs voor de genoemde functie of taak en het schriftelijk bewijs om aan te tonen dat voldaan wordt aan de overige bijzondere eisen voor die functie of taak.
4. De trainingen, bedoeld in het derde lid, worden op aanvraag door Onze Minister erkend.
5. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanvraag en de intrekking van een erkenning van een training als bedoeld in het vierde lid.