BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 25
Wet bemanning zeeschepen
1. Een zeevarende die aan boord van een zeeschip een functie of taak vervult als bedoeld in hoofdstuk VI van het STCW-verdrag, de hoofdstukken III en IV van het STCW F-verdrag, voorschrift 1.3, eerste en tweede lid, van de code bij het MLC-verdrag, artikel 31, onderdeel b, van het C188-verdrag of richtlijn 92/29/EEGis in het bezit van een bekwaamheidsbewijs of schriftelijk bewijs voor die functie of taak en voldoet alvorens hij deze aanvangt aan de overige aanvullende eisen voor die functie of taak.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het tweede lid en de benodigde trainingen en beroepseisen vereist voor de afgifte van een bekwaamheidsbewijs voor de genoemde functie of taak en het schriftelijk bewijs om aan te tonen dat voldaan wordt aan de overige aanvullende eisen voor die functie of taak.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald voor welke bij internationale regeling aangewezen taak of functie het bezit van een bekwaamheidsbewijs of enig ander document voorgeschreven is, alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.
5. De trainingen, bedoeld in het derde lid worden op aanvraag door Onze Minister erkend.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanvraag en de intrekking van een erkenning van een training als bedoeld in het vierde lid.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden normen gesteld met betrekking tot de minimumeisen voor een functie of taak als bedoeld in het eerste lid.
3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de invulling van de normen als bedoeld in het tweede lid en de benodigde trainingen en beroepseisen vereist voor de afgifte van een bekwaamheidsbewijs voor de genoemde functie of taak en het schriftelijk bewijs om aan te tonen dat voldaan wordt aan de overige aanvullende eisen voor die functie of taak.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald voor welke bij internationale regeling aangewezen taak of functie het bezit van een bekwaamheidsbewijs of enig ander document voorgeschreven is, alsmede welke beroepsvereisten daarvoor gelden.
5. De trainingen, bedoeld in het derde lid worden op aanvraag door Onze Minister erkend.
6. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de aanvraag en de intrekking van een erkenning van een training als bedoeld in het vierde lid.