BWBR0050681
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 76
Wet bemanning zeeschepen
1. Er is een Centraal register bemanningsgegevens, waarin Onze Minister de gegevens omtrent de afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen, bekwaamheidsbewijzen en monsterboekjes, alsmede de ten aanzien van deze bewijzen gegeven vrijstellingen en ontheffingen registreert.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de registratie van gegevens in het register.
3. Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of het STCW-verdrag, informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de verlening van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs.
4. Ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid worden persoonsgegevens betreffende vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de zeevarende, die aan boord van een zeeschip een functie vervult als bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 24, eerste lid, beschikt over het voor die functie vereiste vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
5. Persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen vier weken vernietigd nadat deze niet langer nodig zijn ten behoeve van het register.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de registratie van gegevens in het register.
3. Onze Minister is bevoegd aan de tot het verstrekken en ontvangen van informatie bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of het STCW-verdrag, informatie te verstrekken en van deze te ontvangen omtrent de verlening van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bekwaamheidsbewijs.
4. Ter uitvoering van het eerste tot en met derde lid worden persoonsgegevens betreffende vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de zeevarende, die aan boord van een zeeschip een functie vervult als bedoeld in de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 24, eerste lid, beschikt over het voor die functie vereiste vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs. Onze Minister is verantwoordelijke voor deze verwerking.
5. Persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid worden zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen vier weken vernietigd nadat deze niet langer nodig zijn ten behoeve van het register.