BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 7.14
Regeling natuurbescherming
1. Als examens als bedoeld in de artikelen 3.28, tweede lid, onderdeel a, 3.30, tweede lid, tweede volzin, in samenhang met artikel 3.28, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk 3.30, derde lid, van de wet worden erkend de krachtens artikel 39, eerste lid, onderdeel c, van de Flora- en faunaweten artikel 13a, eerste lid, van de Jachtweterkende jachtexamens voor de jacht met het geweer, de jacht met jachtvogels, onderscheidenlijk de jacht met de eendenkooi.
2. Als het met goed gevolg hebben afgelegd van het jachtexamen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, het examen voor het gebruik van jachtvogels, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, en het examen voor het gebruik van eendenkooien, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt erkend het bezit in enig jaar in de periode van 1 januari 1977 tot 1 april 2002 van een geldige jachtakte als bedoeld in de Jachtwetof een geldige vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936 inzake haviken of slechtvalken.
2. Als het met goed gevolg hebben afgelegd van het jachtexamen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, het examen voor het gebruik van jachtvogels, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, en het examen voor het gebruik van eendenkooien, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt erkend het bezit in enig jaar in de periode van 1 januari 1977 tot 1 april 2002 van een geldige jachtakte als bedoeld in de Jachtwetof een geldige vergunning als bedoeld in artikel 11 van de Vogelwet 1936 inzake haviken of slechtvalken.