BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 3.18
Regeling natuurbescherming
1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben en vervoeren van een dode vogel met het oog op preparatie daarvan.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
a. de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, en
b. degene die de vogel onder zich heeft: 1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben van een geprepareerde vogel.
4. De vrijstelling, bedoeld in het derde lid, geldt uitsluitend, indien de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbeschermingen artikel 3.23, vierde en vijfde lid.
5. Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt uitsluitend, indien:
a. de vogel kennelijk is gestorven buiten schuld of medeweten van degene die zich de vogel heeft toegeëigend, en
b. degene die de vogel onder zich heeft: 1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
1°. de vogel binnen drie dagen aflevert bij een preparateur voor preparatie, of
2°. de vogel zelf prepareert en voldoet aan artikel 3.26 van het Besluit natuurbescherming en artikel 3.23 van deze regeling.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.2, zesde lid, van de wet, voor het onder zich hebben van een geprepareerde vogel.
4. De vrijstelling, bedoeld in het derde lid, geldt uitsluitend, indien de vogel is gemerkt met een merkteken overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.26, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbeschermingen artikel 3.23, vierde en vijfde lid.
5. Onverminderd het tweede en vierde lid, gelden de vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, uitsluitend indien de vogel aantoonbaar met inachtneming van de CITES-basisverordening en de CITES-uitvoeringsverordening in Nederland is gebracht of verkregen.