BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 3.17
Regeling natuurbescherming
1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde vogel of een ziek of gewond ander dier, met het oog op het vervoeren van de vogel of het dier met een dierenambulance.
2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn, met het oog op het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance.
3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de weten de Wet dierengerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.
2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5, eerste lid, en 3.6, tweede lid, van de wet voor het opzettelijk vangen en onder zich hebben van een zieke of gewonde bruinvis, gewone dolfijn, tuimelaar, witflankdolfijn of witsnuitdolfijn, met het oog op het vervoeren van het dier, anders dan met een dierenambulance.
3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, gelden uitsluitend, indien de vogel of het andere dier binnen twaalf uur wordt overgedragen aan personen of instanties die krachtens de weten de Wet dierengerechtigd zijn uit het wild afkomstige dieren onder zich te hebben voor opvang en verzorging.