BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 5.1
Regeling natuurbescherming
1. Voor de behandeling van een aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wetworden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wetvan toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
a. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 800,–;
b. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900,–;
c. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500,–.
2. Voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wetworden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wetvan toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 600,–;
b. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600,–;
c. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000,–.
3. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,–.
4. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600,–;
b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,–.
5. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,–.
6. In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wetvan het bepaalde in artikel 3.24, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit natuurbeschermingten aanzien van levende dieren door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.
7. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,–, onderscheidenlijk € 600,–.
8. Voor de goedkeuring van een gedragscode als bedoeld in de artikelen 3.31, eerste lid, of 4.4, eerste lid, onderdeel d, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 3.000,–.
9. In afwijking van het eerste en tweede lid, worden voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in het eerste lid of van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
a. indien de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: geen;
b. indien de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25 procent van de vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, en het tweede lid, onderdelen a, b of c, voor zover het een aldaar bedoeld vergunning of ontheffing betreft.
10. In afwijking van het eerste en achtste lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, van de wetvan de verboden als bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid, onderscheidenlijk 3.6, tweede lid, van de wet, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 60,–.
a. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 800,–;
b. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.900,–;
c. indien de vergunning voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.500,–.
2. Voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, in voorkomend geval in samenhang met artikel 3.10, tweede lid, van de wetworden, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wetvan toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van maximaal één jaar wordt aangevraagd: € 600,–;
b. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van één tot drie jaar wordt aangevraagd: € 1.600,–;
c. indien de ontheffing voor een geldigheidsduur van drie jaar of meer wordt aangevraagd: € 3.000,–.
3. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, derde lid, en 3.8, derde lid, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 80,–.
4. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.34, vijfde lid, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht:
a. voor de herintroductie van een soort: € 1.600,–;
b. voor het uitzetten, planten of zaaien van exoten: € 800,–.
5. Voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 100,–.
6. In afwijking van het vijfde lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag tot afgifte of wijziging van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.40 van de wetvan het bepaalde in artikel 3.24, eerste, tweede of derde lid, van het Besluit natuurbeschermingten aanzien van levende dieren door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 15,–.
7. In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval een aanvraag wordt afgewezen omdat voor het uitvoeren van de betreffende handeling geen vergunning, onderscheidenlijk ontheffing is vereist, aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 800,–, onderscheidenlijk € 600,–.
8. Voor de goedkeuring van een gedragscode als bedoeld in de artikelen 3.31, eerste lid, of 4.4, eerste lid, onderdeel d, van de wetwordt door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 3.000,–.
9. In afwijking van het eerste en tweede lid, worden voor de behandeling van een aanvraag tot wijziging van een vergunning als bedoeld in het eerste lid of van een ontheffing als bedoeld in het tweede lid door de minister aan de aanvrager de volgende vergoedingen in rekening gebracht:
a. indien de wijziging geen nieuwe ecologische beoordeling vergt: geen;
b. indien de wijziging een nieuwe ecologische beoordeling vergt: 25 procent van de vergoedingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b of c, en het tweede lid, onderdelen a, b of c, voor zover het een aldaar bedoeld vergunning of ontheffing betreft.
10. In afwijking van het eerste en achtste lid, wordt voor de behandeling van een aanvraag van een ontheffing als bedoeld in de artikelen 3.3, eerste lid, en 3.8, eerste lid, van de wetvan de verboden als bedoeld in de artikelen 3.2, zesde lid, onderscheidenlijk 3.6, tweede lid, van de wet, ingeval artikel 1.3, vijfde lid, van de wet van toepassing is, door de minister aan de aanvrager de volgende vergoeding in rekening gebracht: € 60,–.