BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 3.10
Regeling natuurbescherming
1. De kennis, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.
3. Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:
a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
b. voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.
a. ten minste vijftig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 7° en 8°, van het Besluit natuurbescherming;
4°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
5°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste twintig meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. De bekwaamheid, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst bij de beoordeling van twee stages van een jaar bij twee mentoren, aangewezen door de in artikel 3.7genoemde organisatie. De stages hebben tot doel om bekwaamheid te verwerven ten aanzien van de omgang met jachtvogels, het dragen en zeeg maken van jachtvogels, de verzorging van jachtvogels, het aanleggen van tuig, het doden van prooien en slachten van aasdieren, het aanleren van gewenst gedrag van jachtvogels, het voorkomen en afleren van ongewenst gedrag van jachtvogels, het zoeken en terugvangen van verloren jachtvogels, het beoordelen van de inzetbaarheid van jachtvogels, het toepassen van fretten en het gebruik van fluit, loer en balg.
3. Een examen voor het gebruik van jachtvogels is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt:
a. van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord;
b. voldoende bekwaamheid als bedoeld in het tweede lid heeft verworven, naar het oordeel van de organisatie die het examen afneemt.