BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 3.11
Regeling natuurbescherming
1. De kennis, bedoeld in artikel 3.22, eerste lid, van het Besluit natuurbescherming, wordt getoetst met:
a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.
a. ten minste veertig meerkeuzevragen, waarvan: 1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
1°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, 2° en 3°, van het Besluit natuurbescherming;
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Besluit natuurbescherming;
3°. vijftien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 10°, van het Besluit natuurbescherming, en
4°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming;
b. ten minste vijftien meerkeuzevragen, gesteld met behulp van beelddragers, waarvan: 1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
1°. tien vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, van het Besluit natuurbescherming, en
2°. vijf vragen over onderwerpen als bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, 5°, 10°, 11° en 12°, van het Besluit natuurbescherming.
2. Een examen voor het gebruik van eendenkooien is uitsluitend met gunstig gevolg afgelegd indien degene die het examen aflegt van de vragen, bedoeld in het eerste lid, ten minste 70% goed heeft beantwoord.