BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 3.30b
Regeling natuurbescherming
1. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wetin samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het onder zich hebben, het voorhanden hebben of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, voor niet-commerciële doeleinden.
2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wetin samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, indien deze handelingen plaatsvinden in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wetin samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen en in bezit hebben van een dode plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of dode delen of dode producten van een plant van die soort.
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:
a. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
b. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan het in onderdeel a bedoelde voorschrift.
5. Als passende maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.
2. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wetin samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen of het in bezit hebben van een plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of delen of producten daarvan, indien deze handelingen plaatsvinden in het kader van uitroeiing, bestrijding of beheersing van die soort.
3. Aan een ieder wordt vrijstelling verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.39 van de wetin samenhang met artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, voor zover het betreft het verhandelen en in bezit hebben van een dode plant van een soort, genoemd in artikel 3.1a van het Besluit natuurbescherming, of dode delen of dode producten van een plant van die soort.
4. Aan de vrijstelling, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende voorschriften en beperkingen verbonden:
a. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht draagt er zorg voor dat alle passende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de planten, of delen of producten daarvan, zich kunnen voortplanten of zich kunnen verspreiden in het milieu;
b. degene die de in het tweede lid bedoelde handelingen verricht kan te allen tijde aannemelijk maken dat hij voldoet aan het in onderdeel a bedoelde voorschrift.
5. Als passende maatregel als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, wordt in ieder geval beschouwd een fysieke scheiding tussen de planten en hun natuurlijke leefomgeving.