BWBR0038668
Geldig vanaf 2020-06-26
Artikel 2.2
Regeling natuurbescherming
Deze paragraaf is van toepassing op:
a. woningbouwprojecten, inclusief noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
b. voor zover het betreft wegen in beheer bij het Rijk: renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen;
c. gemelde PAS-projecten;
d. rijksvastgoedprojecten;
e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;
g. projecten van de Minister van Defensie; en
h. projecten waarvoor gedeputeerde staten van de provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.
a. woningbouwprojecten, inclusief noodzakelijke en direct met het project samenhangende nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige maatregelen en infrastructuur en noodzakelijke voorzieningen ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;
b. voor zover het betreft wegen in beheer bij het Rijk: renovatieprojecten en projecten ter vergroting van de veiligheid van weggebruikers en anderen;
c. gemelde PAS-projecten;
d. rijksvastgoedprojecten;
e. projecten van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
f. projecten die bijdragen aan het terugdringen van emissies van broeikasgassen of aan de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening, economie en samenleving;
g. projecten van de Minister van Defensie; en
h. projecten waarvoor gedeputeerde staten van de provincie bevoegd gezag zijn voor de Natura 2000-vergunning of waarvoor de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.10a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht niet wordt verleend dan nadat gedeputeerde staten hebben verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen hebben.