BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 4
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. De minister kan een deel van de vangstmogelijkheden die voor een kalenderjaar ingevolge artikel 20, eerste lid, van verordening nr. 2371/2002op de vissoorten en de gebieden, bedoeld in bijlage 4, aan Nederland zijn toegewezen, reserveren ten behoeve van:
a. het ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002;
b. verlagingen van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden, bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, 88, eerste lid, 105, 106 en 107, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009, en
c. toewijzing aan een ondernemer, respectievelijk aan een groep dan wel producentenorganisatie, waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer of met de vissersvaartuigen van de ondernemers die bij de desbetreffende groep dan wel producentenorganisatie zijn aangesloten in een nader te bepalen periode de visserij is uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van de Regeling visvergunning, de artikelen 2 tot en met 4 en 10 tot en met 10b van de Regeling technische maatregelen 2000 en met de artikelen 10, 18 en 19 van onderhavige regeling.
2. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, na aftrek van de geruilde hoeveelheden en de verlagingen, uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling verleend.
3. Het deel van de vangstmogelijkheden dat wordt gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 10% van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden op de vissoorten in de gebieden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a.
4. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt aan ondernemers of groepen als bedoeld in dat onderdeel uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de verlening van die vrijstelling.
a. het ruilen van vangstmogelijkheden met andere lidstaten als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002;
b. verlagingen van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden, bedoeld in de artikelen 37, tweede lid, 88, eerste lid, 105, 106 en 107, eerste lid, van verordening nr. 1224/2009, en
c. toewijzing aan een ondernemer, respectievelijk aan een groep dan wel producentenorganisatie, waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer of met de vissersvaartuigen van de ondernemers die bij de desbetreffende groep dan wel producentenorganisatie zijn aangesloten in een nader te bepalen periode de visserij is uitgeoefend overeenkomstig artikel 5 van de Regeling visvergunning, de artikelen 2 tot en met 4 en 10 tot en met 10b van de Regeling technische maatregelen 2000 en met de artikelen 10, 18 en 19 van onderhavige regeling.
2. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdelen a en b, wordt, na aftrek van de geruilde hoeveelheden en de verlagingen, uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling verleend.
3. Het deel van de vangstmogelijkheden dat wordt gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, bedraagt ten hoogste 10% van de aan Nederland toegewezen vangstmogelijkheden op de vissoorten in de gebieden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a.
4. Voor de vangst van het deel van de vangstmogelijkheden dat is gereserveerd op grond van het eerste lid, onderdeel c, wordt aan ondernemers of groepen als bedoeld in dat onderdeel uiterlijk 1 juni van een kalenderjaar vrijstelling als bedoeld in artikel 2, tweede lid, verleend. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd bij de verlening van die vrijstelling.