BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 22
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. Het recht van een ondernemer op een contingent van een vissoort is geheel of gedeeltelijk overdraagbaar aan één of meer ondernemers.
2. Een ondernemer die zijn contingent geheel of gedeeltelijk overdraagt, dient daarvoor een verzoek in bij de minister. Dit verzoek gaat vergezeld van het document, bedoeld in artikel 12.
3. Een geheel contingent van een aanverwante vissoort kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds een contingent van die vissoort en van de in artikel 11, tweede lid, bij die vissoort genoemde aanverwante vissoort geldt.
4. Een gedeeltelijk contingent kabeljauw kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds contingenten kabeljauw en wijting gelden.
5. Een gedeeltelijk contingent van een andere vissoort dan genoemd in het vierde lid kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds een contingent van dezelfde vissoort geldt.
6. Een geheel contingent van een aanverwante vissoort kan slechts worden overgedragen tegelijkertijd met de gehele overdracht van het contingent van de desbetreffende ondernemer van de in artikel 11, tweede lid, bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort, met dien verstande dat de minister op verzoek van die ondernemer kan toestaan het verzoek tot overdracht van laatstbedoelde vissoort voor een door hem vast te stellen periode aan te houden.
7. Indien ten behoeve van de ondernemer een pandrecht op het contingent van de desbetreffende vissoort is verleend, gaat een melding als bedoeld in het tweede lid vergezeld van een verklaring dat de pandhouder met de overdracht instemt.
8. De instemming, bedoeld in het zevende lid, is slechts vereist indien de pandhouder de minister door middel van een afschrift van de akte van verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.
9. De overdracht vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer aan wie het contingent van een vissoort wordt overgedragen, dat voor een door de ondernemer aangewezen vissersvaartuig of vissersvaartuigen op zijn naam een contingent van dezelfde vissoort geldt, gelijk aan het eerder voor de ondernemer die overdraagt, geldende contingent van die vissoort, en dat voor het lopende jaar dat contingent is verminderd met het eventueel reeds opgeviste deel daarvan en de hoeveelheden, bedoeld in artikel 20.
10. Indien de ondernemer aan wie de kennisgeving, bedoeld in het negende lid, is gericht, meer dan één vissersvaartuig heeft aangewezen, geeft hij voor elk van deze vissersvaartuigen aan op welk deel van het desbetreffende contingent of van de desbetreffende contingenten de overdracht betrekking heeft.
11. De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, vindt voor het lopende jaar slechts plaats:
a. voor zover aan een ondernemer wordt overgedragen ten behoeve van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvoor een contingent van dezelfde vissoort met – in voorkomend geval – een contingent van de desbetreffende aanverwante vissoort geldt, indien het voor dat jaar aan de ondernemer aan wie wordt overgedragen, geldende contingent van die vissoort of van die aanverwante vissoort nog niet geheel is opgevist, op het moment van ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid;
b. voor zover niet aan een ondernemer wordt overdragen ten behoeve van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvoor het geldende contingent van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 20 is vastgesteld op nul;
c. indien de minister de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, nog niet heeft ingetrokken, en
d. – voor zover het de overdracht van een contingent haring, makreel, tong, blauwe wijting, grote zilvervis of schol betreft – aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor geen contingent van dezelfde vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort geldt, indien in het kalenderjaar met dat vissersvaartuig geen hoeveelheden van die vissoort of van die aanverwante vissoort zijn aangeland.
2. Een ondernemer die zijn contingent geheel of gedeeltelijk overdraagt, dient daarvoor een verzoek in bij de minister. Dit verzoek gaat vergezeld van het document, bedoeld in artikel 12.
3. Een geheel contingent van een aanverwante vissoort kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds een contingent van die vissoort en van de in artikel 11, tweede lid, bij die vissoort genoemde aanverwante vissoort geldt.
4. Een gedeeltelijk contingent kabeljauw kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds contingenten kabeljauw en wijting gelden.
5. Een gedeeltelijk contingent van een andere vissoort dan genoemd in het vierde lid kan slechts worden overgedragen aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor reeds een contingent van dezelfde vissoort geldt.
6. Een geheel contingent van een aanverwante vissoort kan slechts worden overgedragen tegelijkertijd met de gehele overdracht van het contingent van de desbetreffende ondernemer van de in artikel 11, tweede lid, bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort, met dien verstande dat de minister op verzoek van die ondernemer kan toestaan het verzoek tot overdracht van laatstbedoelde vissoort voor een door hem vast te stellen periode aan te houden.
7. Indien ten behoeve van de ondernemer een pandrecht op het contingent van de desbetreffende vissoort is verleend, gaat een melding als bedoeld in het tweede lid vergezeld van een verklaring dat de pandhouder met de overdracht instemt.
8. De instemming, bedoeld in het zevende lid, is slechts vereist indien de pandhouder de minister door middel van een afschrift van de akte van verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.
9. De overdracht vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer aan wie het contingent van een vissoort wordt overgedragen, dat voor een door de ondernemer aangewezen vissersvaartuig of vissersvaartuigen op zijn naam een contingent van dezelfde vissoort geldt, gelijk aan het eerder voor de ondernemer die overdraagt, geldende contingent van die vissoort, en dat voor het lopende jaar dat contingent is verminderd met het eventueel reeds opgeviste deel daarvan en de hoeveelheden, bedoeld in artikel 20.
10. Indien de ondernemer aan wie de kennisgeving, bedoeld in het negende lid, is gericht, meer dan één vissersvaartuig heeft aangewezen, geeft hij voor elk van deze vissersvaartuigen aan op welk deel van het desbetreffende contingent of van de desbetreffende contingenten de overdracht betrekking heeft.
11. De kennisgeving, bedoeld in het negende lid, vindt voor het lopende jaar slechts plaats:
a. voor zover aan een ondernemer wordt overgedragen ten behoeve van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvoor een contingent van dezelfde vissoort met – in voorkomend geval – een contingent van de desbetreffende aanverwante vissoort geldt, indien het voor dat jaar aan de ondernemer aan wie wordt overgedragen, geldende contingent van die vissoort of van die aanverwante vissoort nog niet geheel is opgevist, op het moment van ontvangst van de melding, bedoeld in het tweede lid;
b. voor zover niet aan een ondernemer wordt overdragen ten behoeve van een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvoor het geldende contingent van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 20 is vastgesteld op nul;
c. indien de minister de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, nog niet heeft ingetrokken, en
d. – voor zover het de overdracht van een contingent haring, makreel, tong, blauwe wijting, grote zilvervis of schol betreft – aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig waarvoor geen contingent van dezelfde vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort geldt, indien in het kalenderjaar met dat vissersvaartuig geen hoeveelheden van die vissoort of van die aanverwante vissoort zijn aangeland.