BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 11
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. Een ondernemer heeft voor de duur van het kalenderjaar recht op een contingent van een vissoort als bedoeld in bijlage 4, indien hij op 31 december van het voorafgaande jaar om 24.00 uur voor zijn vissersvaartuig een recht op een contingent van die vissoort had, tot een in bijlage 4vermeld percentage van het in het voorafgaande jaar geldende contingent.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent van een aanverwante vissoort, indien hij ook recht heeft op een contingent van de volgende bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort:
a. bij tong: schol;
b. bij schol: tong;
c. bij kabeljauw: wijting;
d. bij wijting: kabeljauw.
3. Bij de vaststelling van een contingent voor het kalenderjaar wordt de hoeveelheid waarmee het contingent voor het voorafgaande jaar is verlaagd ingevolge artikel 20, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage voor een vissoort indien ten gevolge van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort wordt verlaagd.
5. Tenzij de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is ingetrokken, kan de minister ten behoeve van een ondernemer die zijn contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort daartoe ruimte biedt, of
b. ten gevolge van een ruil van quota als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002 wijziging optreedt in de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort.
2. Een ondernemer heeft slechts recht op een contingent van een aanverwante vissoort, indien hij ook recht heeft op een contingent van de volgende bij de desbetreffende aanverwante vissoort genoemde vissoort:
a. bij tong: schol;
b. bij schol: tong;
c. bij kabeljauw: wijting;
d. bij wijting: kabeljauw.
3. Bij de vaststelling van een contingent voor het kalenderjaar wordt de hoeveelheid waarmee het contingent voor het voorafgaande jaar is verlaagd ingevolge artikel 20, niet meegerekend.
4. De minister wijzigt het in het eerste lid genoemde percentage voor een vissoort indien ten gevolge van een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort wordt verlaagd.
5. Tenzij de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, is ingetrokken, kan de minister ten behoeve van een ondernemer die zijn contingent van een vissoort nog niet heeft overschreden, het in het eerste lid genoemde percentage wijzigen indien:
a. de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort daartoe ruimte biedt, of
b. ten gevolge van een ruil van quota als bedoeld in artikel 20, vijfde lid, van verordening nr. 2371/2002 wijziging optreedt in de voor de gezamenlijke Nederlandse vissers beschikbare hoeveelheid van die vissoort.