BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 2
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. Het is verboden met een vissersvaartuig de visserij uit te oefenen op de vissoorten genoemd in de bijlagen 1, 2en 3in de bij die vissoorten genoemde wateren en om deze soorten aan boord te hebben en aan te voeren.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft de vangst door:
a. de gezamenlijke Nederlandse vissers van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 2;
b. de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 3, en
c. vissersvaartuigen die de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, in de gebieden vermeld in bijlage 1, 2 en 3, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 35 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
3. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken dan wel de in bijlage 2en 3genoemde hoeveelheden wijzigen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid bedoelde hoeveelheden zijn opgevist. Dit tijdstip kan per vissoort verschillen.
5. De minister kan wijzigingen aanbrengen in de hoeveelheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.
2. Van het verbod, bedoeld in het eerste lid, wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft de vangst door:
a. de gezamenlijke Nederlandse vissers van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 2;
b. de gezamenlijke vissers van de lidstaten van de Europese Unie van de hoeveelheid per vissoort, per deelgebied of sector en voor de periode vermeld in bijlage 3, en
c. vissersvaartuigen die de vlag voeren van, of geregistreerd zijn in een andere staat dan een lidstaat van de Europese Unie, in de gebieden vermeld in bijlage 1, 2 en 3, mits de visserij wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 35 van de verordening inzake vangstmogelijkheden.
3. De minister kan de vrijstellingen bedoeld in het tweede lid intrekken dan wel de in bijlage 2en 3genoemde hoeveelheden wijzigen, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.
4. De minister maakt het tijdstip bekend waarop naar zijn oordeel de in het tweede lid bedoelde hoeveelheden zijn opgevist. Dit tijdstip kan per vissoort verschillen.
5. De minister kan wijzigingen aanbrengen in de hoeveelheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, voor zover hij dit noodzakelijk acht voor de nakoming van communautaire verplichtingen.