BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 24
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. Een ondernemer kan toestaan dat het contingent van een vissoort dat voor zijn vissersvaartuig geldt of dat ingevolge artikel 23is aangehouden, in het kalenderjaar geheel of gedeeltelijk wordt opgevist, aan boord gehouden en aangeland door:
a. een met name genoemde ondernemer met één of meer vissersvaartuigen van wie het contingent van dezelfde vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort op het moment van ontvangst van het verzoek nog niet geheel is opgevist, of
b. ondernemers die hun contingent van de desbetreffende vissoort hebben ingebracht in een groepscontingent, indien het groepscontingent van die vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort op het moment van ontvangst van het verzoek nog niet geheel is opgevist.
2. Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing indien:
a. de ondernemer daarvan melding doet aan de minister;
b. de toestemming, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft op een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvan het toegekende contingent van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 20 is vastgesteld op nul, en
c. de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is ingetrokken.
3. Onverminderd het eerste lid dient op het moment van de melding de periode waarvoor de kennisgeving van de toekenning van een contingent van een vissoort is aangehouden, ten minste gelijk te zijn aan de periode waarvoor het contingent van de desbetreffende vissoort waarvan de kennisgeving van de toekenning is aangehouden, geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt gegeven.
4. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, dat de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is ontvangen.
a. een met name genoemde ondernemer met één of meer vissersvaartuigen van wie het contingent van dezelfde vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort op het moment van ontvangst van het verzoek nog niet geheel is opgevist, of
b. ondernemers die hun contingent van de desbetreffende vissoort hebben ingebracht in een groepscontingent, indien het groepscontingent van die vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort op het moment van ontvangst van het verzoek nog niet geheel is opgevist.
2. Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing indien:
a. de ondernemer daarvan melding doet aan de minister;
b. de toestemming, bedoeld in het eerste lid, geen betrekking heeft op een vissersvaartuig of vissersvaartuigen waarvan het toegekende contingent van de desbetreffende vissoort of – in voorkomend geval – van de desbetreffende aanverwante vissoort als gevolg van de korting overeenkomstig artikel 20 is vastgesteld op nul, en
c. de vrijstelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, niet is ingetrokken.
3. Onverminderd het eerste lid dient op het moment van de melding de periode waarvoor de kennisgeving van de toekenning van een contingent van een vissoort is aangehouden, ten minste gelijk te zijn aan de periode waarvoor het contingent van de desbetreffende vissoort waarvan de kennisgeving van de toekenning is aangehouden, geheel of gedeeltelijk in gebruik wordt gegeven.
4. De ingebruikgeving vindt slechts plaats na kennisgeving van de minister aan de ondernemer, bedoeld in de aanhef van het eerste lid, dat de melding, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, is ontvangen.