BWBR0025587
Geldig vanaf 2011-02-01
Artikel 34
Regeling instandhoudingsmaatregelen zeevisserij
1. De door de gezamenlijke Nederlandse vissers gebruikte hoeveelheden visserij-inspanning worden in mindering gebracht op de hoeveelheden visserij-inspanning, vermeld in bijlage 6, waarbij de hoeveelheid per vaartuig wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 26, tweede tot en met vierde lid, artikel 27, tweede en derde lid, en artikel 29, tweede en derde lid, van verordening nr. 1224/2009, met uitzondering van de visserij-inspanning, waarvoor ontheffing is verleend van het verbod, bedoeld in artikel 33, eerste lid, in verband met het uitoefenen van de visserij ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek, voor zover deze het in artikel 33, negende lid, van verordening nr. 1224/2009 genoemde percentage van de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde hoeveelheden visserij-inspanning voor de beheersperiode of, indien het de vistuigcategorieën TR1 en TR2 betreft, het desbetreffende gedeelte van de beheersperiode niet te boven gaan.
2. De minister gebruikt de hoeveelheden visserij-inspanning die ingevolge punt 3 van bijlage IIa van de verordening inzake vangstmogelijkheden aan Nederland zijn toegewezen, maar die niet op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, beschikbaar zijn gesteld, ten behoeve van:
a. het uitwisselen van visserij-inspanning met andere lidstaten, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening nr. 1342/2008;
b. het overdragen visserij-inspanning tussen inspanningsgroepen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van verordening nr. 1342/2008, of
c. toewijzing aan ondernemers waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer tijdens de beheersperiode de visserij is uitgeoefend met gebruikmaking van vistuig dat selectiever is dan de bestaande wettelijke verplichtingen.
3. Het deel van de visserij-inspanning dat is gereserveerd op grond van het tweede lid, onderdelen b en c, wordt, na aftrek van de overgedragen en toegewezen hoeveelheden, uiterlijk 1 juli van de beheersperiode beschikbaar gesteld aan vaartuigen ten behoeve waarvan een speciaal visdocument als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel a, is verleend.
4. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd voor het toewijzen van de visserij-inspanning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.
2. De minister gebruikt de hoeveelheden visserij-inspanning die ingevolge punt 3 van bijlage IIa van de verordening inzake vangstmogelijkheden aan Nederland zijn toegewezen, maar die niet op grond van artikel 2, tweede lid, onderdeel b, beschikbaar zijn gesteld, ten behoeve van:
a. het uitwisselen van visserij-inspanning met andere lidstaten, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van verordening nr. 1342/2008;
b. het overdragen visserij-inspanning tussen inspanningsgroepen, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van verordening nr. 1342/2008, of
c. toewijzing aan ondernemers waarvan is vastgesteld dat met het vissersvaartuig van de ondernemer tijdens de beheersperiode de visserij is uitgeoefend met gebruikmaking van vistuig dat selectiever is dan de bestaande wettelijke verplichtingen.
3. Het deel van de visserij-inspanning dat is gereserveerd op grond van het tweede lid, onderdelen b en c, wordt, na aftrek van de overgedragen en toegewezen hoeveelheden, uiterlijk 1 juli van de beheersperiode beschikbaar gesteld aan vaartuigen ten behoeve waarvan een speciaal visdocument als bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdeel a, is verleend.
4. De minister stelt de criteria vast die worden gehanteerd voor het toewijzen van de visserij-inspanning als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c.