BWBR0008032
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 8a
Douaneregeling
1. Met betrekking tot de goederen aangewezen in bijlage VII, kolom I, horizontale balken Ia, Ib, Ic, Id en If, kolom II, horizontale balken IIe en IIf, kolom IV, horizontale balk IVa, onder (2) voor zover het betreft de onder Verordening (EG) no. 1255/99 vallende goederen van post 2309 1011 tot en met 2309 1070 en 2309 9031 tot en met 2309 9070, horizontale balken IVc, IVd, IVe, IVf en IVg en kolom V, horizontale balk Va, onder (3), zevende gedachtestreepje, kan zekerheid ter verzekering van de voldoening van douanerechten worden gesteld bij het bij die goederen in bijlage VIIgenoemde productschap, indien de desbetreffende douaneschuld is ontstaan uit hoofde van artikel 201, eerste lid, onderdeel a, van het Communautair douanewetboek.
2. Indien de zekerheid wordt gesteld bij het in het eerste lid bedoelde productschap, wordt dat productschap voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 22a, eerste lid, 22b, 22c, eerste en vierde lid, alsmede hoofdstuk V, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenen artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990mede aangemerkt als inspecteur, onderscheidenlijk ontvanger.
2. Indien de zekerheid wordt gesteld bij het in het eerste lid bedoelde productschap, wordt dat productschap voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5, 22a, eerste lid, 22b, 22c, eerste en vierde lid, alsmede hoofdstuk V, van de Algemene wet inzake rijksbelastingenen artikel 3, eerste lid, van de Invorderingswet 1990mede aangemerkt als inspecteur, onderscheidenlijk ontvanger.