BWBR0008032
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 51
Douaneregeling
1. Wanneer de inspecteur het noodzakelijk acht goederen te identificeren ter verzekering van de heffing van de rechten bij invoer, op een andere wijze dan door middel van het aanbrengen van identificatiemiddelen op laadruimten van vervoermiddelen of op containers wordt slechts geacht hieraan voldaan te zijn indien naar zijn oordeel:
de goederen zich bevinden in bergings- of verpakkingsmiddelen welke door het aanbrengen van zegels zodanig door de inspecteur kunnen worden gesloten, dat na het aanbrengen van die zegels geen goederen aan die bergings- of verpakkingsmiddelen kunnen worden onttrokken zonder dat die bergings- of verpakkingsmiddelen of de daaraan aangebrachte zegels op zichtbare wijze worden geschonden, of
de soort van de goederen duidelijk kan worden waargenomen en voor onttrekking geen vrees bestaat, of
de goederen in verband met hun omvang niet in een afsluitbare laadruimte van een vervoermiddel kunnen worden overgebracht, dan wel
de goederen zich bevinden in behoorlijke verpakkings- of bergingsmiddelen waarop herkenningsmerken kunnen worden aangebracht.
2. Het eerste lid, onderdeel c, vindt slechts toepassing indien:
de goederen kunnen worden aangemerkt als zware of omvangrijke goederen in de zin van de TIR-Overeenkomst, of
het vervoermiddel waarmede de goederen worden overgebracht is voorzien van een bijzondere, op het vervoer van die goederen gerichte constructie welke het op doeltreffende wijze aanbrengen van een verzegeling na de lading van die goederen mogelijk maakt, of
op de goederen herkenningsmerken kunnen worden aangebracht.
de goederen zich bevinden in bergings- of verpakkingsmiddelen welke door het aanbrengen van zegels zodanig door de inspecteur kunnen worden gesloten, dat na het aanbrengen van die zegels geen goederen aan die bergings- of verpakkingsmiddelen kunnen worden onttrokken zonder dat die bergings- of verpakkingsmiddelen of de daaraan aangebrachte zegels op zichtbare wijze worden geschonden, of
de soort van de goederen duidelijk kan worden waargenomen en voor onttrekking geen vrees bestaat, of
de goederen in verband met hun omvang niet in een afsluitbare laadruimte van een vervoermiddel kunnen worden overgebracht, dan wel
de goederen zich bevinden in behoorlijke verpakkings- of bergingsmiddelen waarop herkenningsmerken kunnen worden aangebracht.
2. Het eerste lid, onderdeel c, vindt slechts toepassing indien:
de goederen kunnen worden aangemerkt als zware of omvangrijke goederen in de zin van de TIR-Overeenkomst, of
het vervoermiddel waarmede de goederen worden overgebracht is voorzien van een bijzondere, op het vervoer van die goederen gerichte constructie welke het op doeltreffende wijze aanbrengen van een verzegeling na de lading van die goederen mogelijk maakt, of
op de goederen herkenningsmerken kunnen worden aangebracht.