BWBR0008032
Geldig vanaf 1996-06-01
Artikel 3
Douaneregeling
1. De vordering tot het doen stilhouden van een ander vervoermiddel dan een schip of een luchtvaartuig wordt gedaan:
bij dag door middel van een stopteken, bestaande uit een ronde witte schijf met rode rand, waarop in het wit van de schijf met zwarte letters ’DOUANE’ is vermeld;
bij nacht door middel van een stopteken, bestaande uit een rood licht dat snel verticaal op en neer wordt bewogen.
2. Bij dag kan de vordering door een inspecteur in uniform ook worden gedaan door het opsteken van de rechterhand. Bij nacht dient de inspecteur die de vordering doet in uniform te zijn of vergezeld te zijn van een inspecteur in uniform of een politieambtenaar in uniform.
3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan ook worden gedaan door in rood licht afwisselend de woorden ’VOLGEN’ en ’DOUANE’, onderscheidenlijk de woorden ’STOP’ en ’DOUANE’ te tonen:
bij een motorvoertuig, waarmee wordt gereden vóór het vervoermiddel waarop de vordering ziet;
in spiegelschrift, bij een motorvoertuig, waarmee wordt gereden achter het vervoermiddel waarop de vordering ziet.
4. De vordering tot het buiten werking stellen van de motor van het in het eerste lid bedoelde vervoermiddel wordt gedaan in voor de bestuurder goed verstaanbare bewoordingen.
bij dag door middel van een stopteken, bestaande uit een ronde witte schijf met rode rand, waarop in het wit van de schijf met zwarte letters ’DOUANE’ is vermeld;
bij nacht door middel van een stopteken, bestaande uit een rood licht dat snel verticaal op en neer wordt bewogen.
2. Bij dag kan de vordering door een inspecteur in uniform ook worden gedaan door het opsteken van de rechterhand. Bij nacht dient de inspecteur die de vordering doet in uniform te zijn of vergezeld te zijn van een inspecteur in uniform of een politieambtenaar in uniform.
3. De in het eerste lid bedoelde vordering kan ook worden gedaan door in rood licht afwisselend de woorden ’VOLGEN’ en ’DOUANE’, onderscheidenlijk de woorden ’STOP’ en ’DOUANE’ te tonen:
bij een motorvoertuig, waarmee wordt gereden vóór het vervoermiddel waarop de vordering ziet;
in spiegelschrift, bij een motorvoertuig, waarmee wordt gereden achter het vervoermiddel waarop de vordering ziet.
4. De vordering tot het buiten werking stellen van de motor van het in het eerste lid bedoelde vervoermiddel wordt gedaan in voor de bestuurder goed verstaanbare bewoordingen.