BWBR0005290
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 364
Burgerlijk Wetboek Boek 7
1. De pachter kan zich tot de rechter wenden met de vordering zijn echtgenoot of geregistreerde partner, één of meer zijner bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of één of meer van zijn pleegkinderen – of twee of meer van deze gezamenlijk – aan te merken als medepachter.
2. Het bepaalde in artikel 363 leden 3 tot en met 8is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van «voorgestelde pachter» telkens wordt gelezen: «voorgestelde medepachter».
2. Het bepaalde in artikel 363 leden 3 tot en met 8is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat in plaats van «voorgestelde pachter» telkens wordt gelezen: «voorgestelde medepachter».