BWBR0005290
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 251
Burgerlijk Wetboek Boek 7
1. Bepalingen in huurovereenkomsten die tot gevolg hebben dat de huurprijs in enig tijdvak van twaalf maanden meer dan eenmaal wordt verhoogd, zijn nietig, tenzij het gaat om het geval van artikel 255, artikel 255aof van <a href="/wet/BWBR0014315/artikel/10a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 10a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte</a>.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/308" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 308 van Boek 3</a>verjaart de rechtsvordering tot betaling van een huurprijsverhoging door verloop van twee jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, tenzij de verhuurder de huurder in enig jaar niet schriftelijk informeert over het in dat jaar opeisbaar worden van een vordering tot betaling van een huurprijsverhoging, in welk geval die vordering verjaart door verloop van één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
2. In afwijking van <a href="/wet/BWBR0005291/artikel/308" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 308 van Boek 3</a>verjaart de rechtsvordering tot betaling van een huurprijsverhoging door verloop van twee jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, tenzij de verhuurder de huurder in enig jaar niet schriftelijk informeert over het in dat jaar opeisbaar worden van een vordering tot betaling van een huurprijsverhoging, in welk geval die vordering verjaart door verloop van één jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.