BWBR0005290
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 381
Burgerlijk Wetboek Boek 7
1. De in artikel 378 lid 1bedoelde verplichting bestaat voorts niet, voor zover aan het verpachte in het geldende omgevingsplan, een andere dan landbouwkundige functie is toegedeeld. Op verzoek van de verpachter verklaren burgemeester en wethouders schriftelijk, of in zulk een plan al dan niet een landbouwkundige functie aan het verpachte is toegedeeld.
2. Evenmin bestaat de in artikel 378 lid 1bedoelde verplichting, wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding van het verpachte aan een derde en de grondkamer, op gezamenlijk verzoek van de verpachter en die derde, heeft vastgesteld, dat aannemelijk is, dat de derde het verpachte voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen gebruiken.
3. De in artikel 378 lid 1bedoelde verplichting bestaat evenmin, voor zover het verpachte is gelegen in een gebied waarvoor een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.1 lid 1 van de Omgevingswet</a>is vastgesteld en de verpachter vanwege een voorkeursrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/9.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet</a>in overeenstemming met de regels die <a href="/wet/BWBR0037885" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 9 van die wet</a>daaraan stelt, overgaat tot de vervreemding van het verpachte aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie of de Staat.
2. Evenmin bestaat de in artikel 378 lid 1bedoelde verplichting, wanneer de verpachter overgaat tot vervreemding van het verpachte aan een derde en de grondkamer, op gezamenlijk verzoek van de verpachter en die derde, heeft vastgesteld, dat aannemelijk is, dat de derde het verpachte voor andere dan landbouwkundige doeleinden zal gebruiken of doen gebruiken.
3. De in artikel 378 lid 1bedoelde verplichting bestaat evenmin, voor zover het verpachte is gelegen in een gebied waarvoor een gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/3.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 3.1 lid 1 van de Omgevingswet</a>is vastgesteld en de verpachter vanwege een voorkeursrecht als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0037885/artikel/9.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet</a>in overeenstemming met de regels die <a href="/wet/BWBR0037885" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 9 van die wet</a>daaraan stelt, overgaat tot de vervreemding van het verpachte aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie of de Staat.