BWBR0005290
Geldig vanaf 1992-01-01
Artikel 274d
Burgerlijk Wetboek Boek 7
1. Onder eigen gebruik in de zin van artikel 274 lid 1 onder cwordt mede begrepen het verstrekken van woonruimte aan een student indien aan de in de volgende leden vermelde voorwaarden is voldaan.
2. Onder student wordt in dit artikel verstaan de student die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/1.1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs</a>of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>.
3. De woonruimte moet krachtens de huurovereenkomst bestemd zijn voor studenten.
4. De huurder, tegen wie de in artikel 274 lid 1bedoelde vordering is ingesteld, moet hebben nagelaten te voldoen aan een schriftelijk verzoek van de verhuurder, dat deze jaarlijks kan doen, om binnen drie maanden een kopie van het bewijs van zijn inschrijving aan een instelling, universiteit of hogeschool als bedoeld in lid 2 inzake het lopende studiejaar over te leggen.
5. In de huurovereenkomst met de huurder tegen wie de in artikel 274 lid 1bedoelde vordering is ingesteld, moet zijn bepaald dat die woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd. Voor de toepassing van de eerste volzin worden met een student gelijkgesteld een jongere als bedoeld in artikel 274c lid 2en een promovendus als bedoeld in artikel 274e lid 2.
2. Onder student wordt in dit artikel verstaan de student die is ingeschreven aan een instelling als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007625/artikel/1.1.1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs</a>of aan een universiteit of hogeschool als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005682/artikel/1.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1.2, onderdelen a en b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek</a>.
3. De woonruimte moet krachtens de huurovereenkomst bestemd zijn voor studenten.
4. De huurder, tegen wie de in artikel 274 lid 1bedoelde vordering is ingesteld, moet hebben nagelaten te voldoen aan een schriftelijk verzoek van de verhuurder, dat deze jaarlijks kan doen, om binnen drie maanden een kopie van het bewijs van zijn inschrijving aan een instelling, universiteit of hogeschool als bedoeld in lid 2 inzake het lopende studiejaar over te leggen.
5. In de huurovereenkomst met de huurder tegen wie de in artikel 274 lid 1bedoelde vordering is ingesteld, moet zijn bepaald dat die woonruimte na beëindiging van de huurovereenkomst opnieuw aan een student zal worden verhuurd. Voor de toepassing van de eerste volzin worden met een student gelijkgesteld een jongere als bedoeld in artikel 274c lid 2en een promovendus als bedoeld in artikel 274e lid 2.