BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 6
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Recht op uitkering ontstaat voor een werknemer, indien hij in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid, in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht.
2. Indien werkloosheid intreedt binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt de in het eerste lid bedoelde periode van 12 maanden met deze perioden verlengd.
3. De in een week verrichte arbeid wordt slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover zij niet reeds eerder in aanmerking is genomen voor een recht op uitkering.
4. Regels, gesteld op grond van artikel 17, vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien werkloosheid intreedt binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, wordt de in het eerste lid bedoelde periode van 12 maanden met deze perioden verlengd.
3. De in een week verrichte arbeid wordt slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover zij niet reeds eerder in aanmerking is genomen voor een recht op uitkering.
4. Regels, gesteld op grond van artikel 17, vierde en vijfde lid, van de Werkloosheidswetzijn van overeenkomstige toepassing.