BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 21
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. De uitkeringsduur is een half jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarop het recht op uitkering is ontstaan.
2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden, in tenminste drie kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, c of d;
wordt de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, bij een arbeidsverleden van ten minste:
5 jaren, verlengd met drie maanden;
10 jaren, verlengd met een half jaar;
15 jaren, verlengd met een jaar;
20 jaren, verlengd met anderhalf jaar;
25 jaren, verlengd met twee jaar;
30 jaren, verlengd met twee en een half jaar;
35 jaren, verlengd met drie en een half jaar; en
40 jaren, verlengd met vier en een half jaar.
3. Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van het aantal kalenderjaren, gelegen in de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen, en het aantal kalenderjaren vanaf het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot die periode.
4. Voor de vaststelling van het arbeidsverleden worden dagen waarover een persoon:
a. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
b. ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld in onderdeel a, die al dan niet vermeerderd met die arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
d. na eindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet, over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van die wet;
e. een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
5. Kalenderjaren, waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind verzorgt, zonder dat deze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, worden, indien het een kind betreft dat bij de aanvang van het kalenderjaar:
a. de leeftijd van 6 jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen;
b. de leeftijd van 6 jaar, doch die van 12 jaar nog niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin 52 of meer dagen loon is ontvangen.
6. Het vijfde lid vindt geen toepassing indien:
a. de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid; of
b. de verzorging uitsluitend of vrijwel uitsluitend buiten Nederland plaatsvindt.
7. Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het orgaan bevoegd een van hen die naar zijn oordeel als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
8. Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt
a. de persoon, bedoeld in artikel 7 van de Werkloosheidswet, geacht als werknemer in een dienstbetrekking in de zin van die wet te staan;
b. niet als loon beschouwd een uitkering op grond van dit hoofdstuk, alsmede een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
c. het aantal dagen, waarover loon wordt ontvangen vastgesteld overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
10. Regels gesteld op grond van artikel 42, tiende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Indien de werknemer:
a. aantoont in de periode van vijf kalenderjaren onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden, in tenminste drie kalenderjaren over 52 of meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen; of
b. onmiddellijk voorafgaande aan of op zijn eerste dag van werkloosheid recht heeft op een uitkering op grond van een wet als genoemd in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, c of d;
wordt de uitkeringsduur, bedoeld in het eerste lid, bij een arbeidsverleden van ten minste:
5 jaren, verlengd met drie maanden;
10 jaren, verlengd met een half jaar;
15 jaren, verlengd met een jaar;
20 jaren, verlengd met anderhalf jaar;
25 jaren, verlengd met twee jaar;
30 jaren, verlengd met twee en een half jaar;
35 jaren, verlengd met drie en een half jaar; en
40 jaren, verlengd met vier en een half jaar.
3. Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van het aantal kalenderjaren, gelegen in de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde periode, waarover de werknemer aantoont over 52 of meer dagen loon te hebben ontvangen, en het aantal kalenderjaren vanaf het jaar waarin de werknemer zijn 18e verjaardag bereikte tot die periode.
4. Voor de vaststelling van het arbeidsverleden worden dagen waarover een persoon:
a. recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
b. ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld in onderdeel a, die al dan niet vermeerderd met die arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
d. na eindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet, over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tiende lid, van die wet;
e. een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in onderdeel a of d;
gelijkgesteld met dagen waarover loon is ontvangen.
5. Kalenderjaren, waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind verzorgt, zonder dat deze voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, worden, indien het een kind betreft dat bij de aanvang van het kalenderjaar:
a. de leeftijd van 6 jaar niet heeft bereikt, gelijkgesteld met kalenderjaren waarin over 52 of meer dagen loon is ontvangen;
b. de leeftijd van 6 jaar, doch die van 12 jaar nog niet heeft bereikt, voor de helft gelijkgesteld met kalenderjaren waarin 52 of meer dagen loon is ontvangen.
6. Het vijfde lid vindt geen toepassing indien:
a. de verzorgende persoon in een kalenderjaar voor een periode langer dan een half jaar als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid; of
b. de verzorging uitsluitend of vrijwel uitsluitend buiten Nederland plaatsvindt.
7. Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het orgaan bevoegd een van hen die naar zijn oordeel als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.
8. Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:
a. een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;
b. een pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
9. Voor de toepassing van dit artikel wordt
a. de persoon, bedoeld in artikel 7 van de Werkloosheidswet, geacht als werknemer in een dienstbetrekking in de zin van die wet te staan;
b. niet als loon beschouwd een uitkering op grond van dit hoofdstuk, alsmede een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%;
c. het aantal dagen, waarover loon wordt ontvangen vastgesteld overeenkomstig artikel 17, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.
10. Regels gesteld op grond van artikel 42, tiende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.