BWBR0004095
Geldig vanaf 1987-01-01
Artikel 7
Besluit voorschriften inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen ambtenaren in de zin van de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
1. Geen recht op uitkering heeft de werknemer die:
a. ononderbroken een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet (Stb. 1967, 473) of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, met ingang van de dag waarop hij deze uitkering vanaf of na het intreden van zijn werkloosheid drie maanden heeft ontvangen;
b. een uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die, al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten (Stb. 1967, 99), berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn bezoldiging;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden uitgezet;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
j. op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen 3 maanden na de datum van intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen;
k. vakantie geniet;
l. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting; of
m. werkloos is anders dan ten gevolge van ontslag.
2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de daar bedoelde drie maanden niet aan de werknemer is betaald wegens voor hem geldende wachtdagen, of wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt zij voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ontvangen.
3. Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken, algemeen als zodanig wordt gevierd.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, wordt met bezoldiging gelijkgesteld het deel van de inkomsten dat de werknemer ontvangt in verband met de eindiging van een dienstbetrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan bezoldiging dat de werknemer zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen.
5. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer die uitsluitend uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 19, zesde en achtste lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.
a. ononderbroken een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet (Stb. 1967, 473) of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt, met ingang van de dag waarop hij deze uitkering vanaf of na het intreden van zijn werkloosheid drie maanden heeft ontvangen;
b. een uitkering ontvangt op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van artikel 58, eerste of derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die, al dan niet vermeerderd met een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
c. een uitkering ontvangt op grond van de Liquidatiewet ongevallenwetten (Stb. 1967, 99), berekend naar volledige arbeidsongeschiktheid;
d. een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die, al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering, 70% of meer bedraagt van het dagloon waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;
e. recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn bezoldiging;
f. buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie;
g. op grond van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden uitgezet;
h. rechtens zijn vrijheid is ontnomen;
i. de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft bereikt;
j. op grond van artikel 64 van de Wet financiering sociale verzekeringen een ontheffing wegens gemoedsbezwaren heeft of wiens werkloosheid binnen 3 maanden na de datum van intrekking van een zodanige vrijstelling is aangevangen;
k. vakantie geniet;
l. werkloos is ten gevolge van werkstaking of uitsluiting; of
m. werkloos is anders dan ten gevolge van ontslag.
2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de daar bedoelde drie maanden niet aan de werknemer is betaald wegens voor hem geldende wachtdagen, of wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt zij voor de toepassing van het eerste lid geacht te zijn ontvangen.
3. Geen recht op uitkering heeft de werknemer over een dag waarop zijn arbeid wordt onderbroken uitsluitend doordat:
a. deze dag voor hem als rustdag geldt;
b. deze dag een nationale of algemeen erkende christelijke feestdag is, dan wel een kerkelijke feestdag, die ter plaatse waar de werknemer pleegt te werken, algemeen als zodanig wordt gevierd.
4. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel e, wordt met bezoldiging gelijkgesteld het deel van de inkomsten dat de werknemer ontvangt in verband met de eindiging van een dienstbetrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan bezoldiging dat de werknemer zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen.
5. Het eerste lid blijft buiten toepassing ten aanzien van de werknemer die uitsluitend uit hoofde van een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden in een omstandigheid verkeert als bedoeld in het eerste lid.
6. Regels, gesteld op grond van artikel 19, zesde en achtste lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.